Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
09-6657 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onzorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd besluit. Het Uwv zal (nader) dienen te onderzoeken of de belastbaarheid van appellant per 15 juli 2004 is gewijzigd in vergelijking met de vastgestelde belastbaarheid per 18 februari 2004. Daarbij zal de medische informatie van de behandelaar(s) van appellant dienen te worden betrokken. In het licht hiervan behoeft de arbeidskundige grondslag thans geen bespreking meer. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6657 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 oktober 2009, 08/940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M.M. van Dalen, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreid overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 november 2007, LJN BC0465, in een eerder geding tussen partijen.

1.2. In de onder 1.1 genoemde uitspraak heeft de Raad gesteld dat, nu uitsluitend door het Uwv hoger beroep is ingesteld, het hoger beroep beperkt was tot het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2005 over de uitlooptermijn. In dat verband heeft de Raad overwogen dat tijdens de uitlooptermijn een in het licht van appellants hartkwaal niet onbelangrijke medische ingreep heeft plaatsgevonden die direct verband hield met de ziekte op basis waarvan appellant uitkering ontving en waarmee bij de beoordeling van zijn verdiencapaciteit voorafgaande aan die ingreep ten tijde van de aanzegging geen, althans naar het oordeel van de Raad onvoldoende gemotiveerd, rekening kon worden gehouden en ook niet is gehouden. Daarbij is de Raad niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn oordeelsvorming dat geen langere uitlooptermijn noodzakelijk is, enige aandacht heeft geschonken aan het behandelprotocol van de behandelend specialist. De Raad heeft dan ook, evenals de rechtbank, geconcludeerd dat de herziening van appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van

25 tot 35% met ingang van 18 februari 2004 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts heeft de Raad geoordeeld dat de overweging van de rechtbank dat appellant een uitlooptermijn van twee maanden te rekenen vanaf de einddatum van de revalidatieperiode moet worden gegund, hem niet onjuist is voorgekomen.

2.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het Uwv op 1 februari 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Uitgaande van de beëindiging van de revalidatie van appellant per 13 mei 2004, heeft het Uwv de uitlooptermijn vastgesteld, ingaande op 14 mei 2004 en eindigende op 15 juli 2004. Het bezwaar van appellant is derhalve in zoverre gegrond verklaard, dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 juli 2004 wordt herzien naar de klasse van 25 tot 35%.

2.2. Appellant heeft vervolgens tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende dat beroep heeft het Uwv op 15 oktober 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In verband met de actualisering van de geduide functies en de indexering van het maatmaninkomen naar de datum 15 juli 2004, is het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 35,67%. Met ingang van 15 juli 2004 is de uitkering van appellant daarom herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 februari 2008 niet ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2009 ongegrond verklaard, alsmede het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat zij in haar eerdere uitspraak van

23 november 2005 de stelling van appellant, namelijk dat hij op medische gronden geheel dan wel meer arbeidsongeschikt is, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en dat volgens vaste rechtspraak van de juistheid van dit oordeel moet worden uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv gelet op de ter beschikking zijnde gegevens op goede gronden de uitlooptermijn bepaald heeft op 25 juli 2004 (lees: 15 juli 2004) en dat de actualisering van de geduide functies en het maatmaninkomen op goede gronden is geschied.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 juli 2004 op onjuiste wijze en op onjuiste gronden heeft vastgesteld, welke vaststelling geen recht doet aan het werkelijke verlies van zijn verdiencapaciteit. In dat verband heeft hij gesteld dat ten onrechte geen volledig medisch en arbeidskundig onderzoek naar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden, hetgeen voor de besluitvorming wel noodzakelijk was omdat hij op

21 januari 2004 een PTCA heeft ondergaan en een drievoudige stentplaatsing heeft gekregen.

4.2. In verweer heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat slechts de uitlooptermijn in geding is, welke na het einde van de revalidatieperiode is ingegaan op 14 mei 2004 en op 15 juli 2004 is geëindigd. De medische situatie kan volgens het Uwv niet nogmaals onderwerp van het geding zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Gelet op het systeem van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid - zoals dat in de kern besloten ligt in artikel 18, eerste lid, van de WAO en artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten - dient aan de basis van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het medisch oordeel van de verzekeringsarts over de mogelijkheden en beperkingen van een verzekerde alsmede een arbeidskundig oordeel over de nog passend te achten arbeidsmogelijkheden ten grondslag te liggen.

5.2. Naar aanleiding van de door appellant aangevoerde grond dat hij op 21 januari 2004 een PTCA heeft ondergaan en een drievoudige stentplaatsing heeft gekregen, moet de Raad thans constateren dat aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 15 juli 2004 geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt dat gericht is op deze datum, althans dat niet (kenbaar) is onderzocht of ten opzichte van de eerder beoordeelde datum van 18 februari 2004 de gevolgen van deze medische behandeling leiden tot een gewijzigde vaststelling van de belastbaarheid van appellant.

5.3. In verband hiermee moet worden geoordeeld dat het besluit van 15 oktober 2009 in strijd is met artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, althans onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het Uwv zal derhalve (nader) dienen te onderzoeken of de belastbaarheid van appellant per 15 juli 2004 is gewijzigd in vergelijking met de vastgestelde belastbaarheid per 18 februari 2004. Daarbij zal de medische informatie van de behandelaar(s) van appellant dienen te worden betrokken. In het licht hiervan behoeft de arbeidskundige grondslag thans geen bespreking meer.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit van 15 oktober 2009 zal worden vernietigd. Tevens zal het Uwv worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL