Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
08-6247 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Het College heeft in overeenstemming met zijn beleid de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding gehandhaafd. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Geen grond om te oordelen dat het College in afwijking van de beleidsregels de restvordering geheel of gedeeltelijk had moeten kwijtschelden. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar van appellant tegen de hoogte van de inhoudingen op de bijstand over de vijf jaren voorafgaand aan de maand augustus 2007 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6247 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 september 2008, 08/572 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Appellant en zijn raadsman zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 22 december 2000 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2000 ingetrokken. Tevens heeft het College bij besluit van 9 februari 2001 de bijstand van appellant over de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2000 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

1 september 1998 tot 1 november 2000 tot een bedrag van f. 52.131,24 van hem teruggevorderd. Deze intrekking en terugvordering zijn bij uitspraak van de Raad van 2 november 2004, LJN AR5617, onherroepelijk komen vast te staan.

1.2. Bij besluit van 14 april 2005 is aan appellant met ingang van 15 april 2005 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.3. Bij brief van 4 juni 2007 heeft appellant het College verzocht de invordering van het teruggevorderde bedrag wegens financiële problemen op te schorten. Het College heeft appellant bij brief van 13 juni 2007 meegedeeld dat opschorting van de invordering niet mogelijk is aangezien het een fraudevordering betreft en dat de invordering gehandhaafd blijft op 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.4. Op 31 augustus 2007 heeft appellant het College verzocht om verlaging van het maandelijkse aflossingsbedrag, alsmede een verzoek om kwijtschelding van de resterende schuld.

1.5. Bij besluit van 12 september 2007 heeft het College het verzoek om kwijtschelding afgewezen en de hoogte van het aflossingsbedrag gehandhaafd op 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.6. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 september 2007 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij onder meer verzocht om juiste toepassing van de beslagvrije voet over de afgelopen vijf jaren en terugbetaling van de ten onrechte ingehouden bijstand, vermeerderd met wettelijke rente.

1.7. Bij besluit van 14 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de maandelijkse inhouding op de bijstand met ingang van 1 augustus 2007 is vastgesteld op € 20,70. Voor zover het bezwaar gericht was tegen de uitkeringsspecificaties voorafgaand aan de maand augustus 2007 is dit niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 december 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College in redelijkheid het verzoek tot kwijtschelding heeft kunnen afwijzen, dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de brief van 4 juni 2007 niet als een bezwaar tegen de inhouding kan worden aangemerkt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de artikelen 58 en 59 van de WWB, voor zover hier van belang, meebrengen dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering moet hierin besloten worden geacht.

4.2. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het College de Beleidsregels terugvordering WWB 2006 vastgesteld. Onderdeel daarvan is beleid ten aanzien van kwijtschelding. In dit beleid is onder meer bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend indien de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende, behoudens voor zover er sprake is van een dringende reden, dan wel wanneer het totaal te betalen bedrag minder bedraagt dan € 250,-- en de invordering niet anders mogelijk blijkt dan door executoriaal beslag. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College verklaard dat van dringende redenen sprake kan zijn indien de invordering ernstige (of onaanvaardbare) gevolgen heeft voor het lichamelijk of geestelijk welzijn van een belanghebbende. De financiële situatie van een belanghebbende wordt niet als dringende reden opgevat. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD5857, is de Raad van oordeel dat een dergelijk beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft.

4.3. De Raad stelt vast dat bij de onder 1.1 genoemde besluiten van 22 december 2000 en 9 februari 2001 de bijstand van appellant is ingetrokken en de hiermee verband houdende kosten van bijstand van appellant zijn teruggevorderd op de grond dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad heeft in zijn onder 1.1. genoemde uitspraak de intrekking en terugvordering in stand gelaten.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat de terugvordering is te wijten aan verwijtbaar gedrag van appellant. Het College heeft in overeenstemming met zijn beleid de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding gehandhaafd. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen dringende reden is gelegen om van verdere terugvordering af te zien. Ook ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van de beleidsregels de restvordering geheel of gedeeltelijk had moeten kwijtschelden.

4.5. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de hoogte van de inhoudingen op de bijstand over de periode van vijf jaren voorafgaand aan de maand augustus 2007 overweegt de Raad als volgt.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de inhoudingen op de bijstand op grond van artikel 79 van de WWB voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten worden gelijkgesteld met besluiten.

4.7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van appellant tegen de hoogte van de inhoudingen op de bijstand over de vijf jaren voorafgaand aan de maand augustus 2007 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd en verwijst daarnaar. Hetgeen appellant in hoger beroep op dit punt naar voren heeft gebracht, hetgeen een herhaling is van de in beroep aangevoerde gronden, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad voegt hieraan toe dat ter zitting is gebleken dat appellant op 22 januari 2008 het College heeft verzocht terug te komen van de inhoudingen op de bijstand over de periode voorafgaand aan de maand augustus 2007, dat het College dit verzoek bij besluit van 1 april 2008 heeft afgewezen en dat appellant tegen dit besluit geen rechtsmiddel heeft aangewend.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

BvW