Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
08/2900 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prematuur beroep, aangezien de termijn voor het nemen van een besluit op die datum nog niet was verstreken. Hangende beroep alsnog inhoudelijk besluit genomen. Geen grond het door appellant bij fax van 29 november 2007 ingestelde beroep, voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 29 januari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat ten tijde van het instellen van dit beroep de beslistermijn nog niet was verstreken, aangezien noch de tekst van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, noch de geschiedenis van totstandkoming van dit artikellid steun biedt voor de opvatting dat voor de toepassing van dit artikellid is vereist dat ten tijde van het instellen van beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken. Geen terugwijzing. Intrekking bijstandsuitkering is voldoende gemotiveerd. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/16
JB 2011/36
JWWB 2011/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2900 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 maart 2008, 07/3243 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.C.J. Akker, kantoorgenoot van mr. Van der Wal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Verkerk, werkzaam bij de gemeente Den Helder.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 september 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 9 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant vanaf die datum wordt geacht zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

1.2. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij fax van 29 november 2007 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat ten tijde van het instellen van het beroep de van toepassing zijnde beslistermijn van 10 weken nog niet is verstreken, dat het beroep derhalve prematuur is ingediend en dat de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich niet voordoen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de fax van appellant van 29 november 2007 tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2007 prematuur is ingediend, aangezien de termijn voor het nemen van een besluit op die datum nog niet was verstreken. Hangende het geding bij de rechtbank heeft het College echter alsnog bij besluit van 29 januari 2008, verzonden op 21 februari 2008 inhoudelijk op het bezwaar beslist. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb moet het beroep van appellant van 29 november 2007 worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit van 29 januari 2008. Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 7 december 2006, LJN AZ5070, heeft geoordeeld ziet de Raad in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 oktober 2005, LJN AU4298, geen grond het door appellant bij fax van 29 november 2007 ingestelde beroep, voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 29 januari 2008, niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat ten tijde van het instellen van dit beroep de beslistermijn nog niet was verstreken, aangezien noch de tekst van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, noch de geschiedenis van totstandkoming van dit artikellid steun biedt voor de opvatting dat voor de toepassing van dit artikellid is vereist dat ten tijde van het instellen van beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken.

4.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 6:20, vierde lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar zelf een oordeel ten gronde geven.

4.3. Appellant heeft op zichzelf geen bezwaar tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 9 juli 2007, doch heeft gesteld dat het besluit van 29 januari 2008 onvoldoende is gemotiveerd. De Raad kan appellant hierin niet volgen nu hij zelf om stopzetting van de bijstand heeft gevraagd en in verband daarmee salarisgegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij met inkomsten uit dienstbetrekking in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.

4.4. Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Bij een beslissing op zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, heeft appellant gezien hetgeen is overwogen onder 4.1 geen belang meer.

4.5. Met betrekking tot het ter zitting van de Raad gedane verzoek van appellant tot vergoeding van de door hem als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriële schade stelt de Raad vast dat vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift, 1 oktober 2007, tot aan de datum van deze uitspraak ruim 3 jaar zijn verstreken. De Raad is van oordeel dat daarmee de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bedoelde redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding niet kan worden ingewilligd.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

SB