Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09-2693 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant heeft ontslag genomen en is naar Polen is vertrokken omdat hij bij een nieuwe werkgever als bedrijfsleider van het restaurant een positieverbetering kon realiseren en een hoger salaris zou ontvangen. Appellant heeft een groot werkloosheidsrisico genomen door ontslag te nemen uit een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd en een baan te accepteren in Polen zonder enige garantie. De ontstane werkloosheid is verwijtbaar is en er is geen aanleiding om aan te nemen dat die werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. In artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Gemeenschap, ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2693 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 april 2009, 08/53 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Almelo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Bij brief van 29 juli 2010 heeft het Uwv een aantal vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 oktober 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.C.M. Peper, kantoorgenoot van mr. Schepers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.F.M. Mollee en mr. T. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 14 augustus 2000 in dienst getreden van [werkgever 1] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij was daar werkzaam als barman. Eind januari 2006 heeft appellant ontslag genomen uit deze dienstbetrekking en is hij voor een nieuwe baan vertrokken naar Polen. Appellant heeft, naar eigen zeggen, een mondelinge arbeidsovereenkomst gesloten met [werkgever 2] in Polen om te werken als bedrijfsleider in het restaurant van het recreatiepark. In juli 2006 is appellant teruggekeerd vanuit Polen naar Nederland nadat hij onenigheid had gekregen met de beheerder van het restaurant. Appellant heeft daarna een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 25 januari 2007 (hierna: primaire besluit) heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat van het Poolse sociale verzekeringsorgaan te Zielona Góra het bericht was ontvangen dat dit, ook na onderzoek bij de firma [werkgever 2], geen verklaring van tijdvakken van verzekering en/of arbeid kon verstrekken. Subsidiair is de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aan de zogenaamde wekeneis voldoet. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat niet gebleken is dat appellant in Polen arbeid heeft verricht.

1.3. Bij besluit van 30 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft appellant wel aangetoond dat hij in de periode van 27 februari 2006 tot en met 15 juli 2006 heeft gewerkt in Polen, maar niet is aangetoond dat hij in Polen als werknemer verzekerde arbeid heeft verricht. Deze periode wordt daarom buiten beschouwing gelaten voor de beoordeling van de wekeneis. Subsidiair is de aanvraag afgewezen omdat appellant ontslag heeft genomen bij werkgever [werkgever 1] en door zijn vertrek naar Polen een voorzienbaar werkloosheidsrisico heeft genomen. In deze situatie wordt de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv het bestreden besluit ten aanzien van het primaire standpunt onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, zodat dat besluit op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Het subsidiaire standpunt heeft de rechtbank wel in stand gelaten. De rechtbank was van oordeel dat appellant een voorzienbaar werkloosheidsrisico heeft genomen door ontslag te nemen zonder dat hij in het bezit was van stukken die zijn nieuwe baan bevestigden. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en om die reden de uitkering blijvend geheel geweigerd. De rechtbank zag geen aanleiding voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Volgens appellant was geen sprake van een voorzienbaar werkloosheidsrisico op het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met zijn voormalige werkgever [werkgever 1] beëindigde. Appellant stelt dat hij niet over een nacht ijs is gegaan en een weloverwogen beslissing heeft genomen. Hij kende de beheerder van het restaurant, de functie van bedrijfsleider van het restaurant betekende voor hem een aanzienlijke positieverbetering en vóór aanvaarding van deze functie is hij naar Polen afgereisd om zich er van te vergewissen dat hij de nieuwe functie zonder problemen zou kunnen aanvaarden door het park waar het restaurant zich bevond en de woning op het park alwaar hij zou kunnen verblijven te bekijken. Tevens heeft appellant benadrukt dat sprake was van een mondelinge arbeidsovereenkomst en dat hij geen enkele reden had om aan te nemen dat de beheerder de afspraken niet zou nakomen. Daarom acht appellant geen sprake van verwijtbare werkloosheid. Subsidiair is appellant van mening dat de werkloosheid hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

4. Het Uwv heeft de Raad medegedeeld dat het primaire standpunt in het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd maar dat het standpunt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, ongewijzigd wordt gehandhaafd. Voorts heeft het Uwv de Raad desgevraagd meegedeeld dat de doorwerkingsjurisprudentie van de Raad, zoals vastgelegd in de uitspraken van 24 juni 2009, LJN BJ2443, LJN BJ2446 en LJN BJ2452, ook kan worden toegepast wanneer het EU-recht, met name het vrij verkeer van werknemers, van toepassing is.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In het voorliggende geval is aan de orde de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd. Daarbij wordt aangeknoopt bij artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

5.2. In de hiervoor vermelde uitspraken van 24 juni 2009 heeft de Raad overwogen dat hij, anders dan voorheen, thans van oordeel is dat, indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als in de dienstbetrekking die beëindigd wordt. Daarbij acht de Raad niet de juridische vorm waarin de relatie tussen werknemer en werkgever gestalte heeft gekregen doorslaggevend, maar de materiële inhoud van de door hen gemaakte afspraken. Eerst indien moet worden vastgesteld dat dit reële vooruitzicht niet bestond, is er reden om te bezien of de omstandigheden die aanleiding waren voor de baanwisseling moeten leiden tot het oordeel dat de werknemer ter zake van de werkloosheid een verwijt treft. Daarbij dienen de persoonlijke beweegredenen van de werknemer om van baan te wisselen en de omvang van het door hem genomen risico om een beroep te moeten doen op een uitkering ingevolge de WW in ogenschouw te worden genomen. De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval, waar de eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór de inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel per 1 oktober 2006, anders te oordelen.

5.3. De Raad is niet gebleken dat er ten tijde van de baanwisseling voor appellant een reëel vooruitzicht bestond op een dienstbetrekking van ten minste 26 weken. Appellant heeft gesteld dat hij voor [werkgever 2] is gaan werken op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van bedrijfsleider van het restaurant tegen een nettosalaris van € 2.500,- per maand, maar hij heeft die stelling niet met bewijsstukken onderbouwd. Er is geen sprake van een schriftelijke arbeidsovereenkomst en appellant heeft ook niet anderszins aangetoond dat hij op basis van deze afspraken is gaan werken voor [werkgever 2] De Raad wijst er in dit verband op dat van de zijde van [werkgever 2] is verklaard dat nimmer sprake is geweest van een dienstverband omdat het voor appellant niet mogelijk was om in Polen een werkvergunning te verkrijgen.

5.4. Nu niet gebleken is dat er een reëel vooruitzicht bestond op een dienstbetrekking met een duur van ten minste 26 weken, dient te worden bezien of de omstandigheden die aanleiding waren voor de baanwisseling moeten leiden tot het oordeel dat de werknemer ter zake van de werkloosheid een verwijt treft. Dienaangaande stelt de Raad vast dat appellant ontslag heeft genomen bij [werkgever 1] en naar Polen is vertrokken omdat hij bij [werkgever 2] als bedrijfsleider van het restaurant een positieverbetering kon realiseren en een hoger salaris zou ontvangen. De Raad moet echter tevens constateren dat appellant geen enkele garantie had over de zaken die hem zouden zijn toegezegd. Appellant heeft voorts een groot werkloosheidsrisico genomen door ontslag te nemen uit een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd en een baan te accepteren in Polen zonder enige garantie. Daaraan doet niet af dat appellant alvorens de baan te accepteren naar Polen is afgereisd om zich te vergewissen van de situatie. De Raad wijst in dit verband op de verklaring van [K.], die samen met appellant naar Polen is afgereisd om daar te kijken naar het horeca gedeelte van het [naam park] en verantwoordelijk zou worden voor de keuken. [K.] heeft verklaard dat de beheerder hem een zeer aantrekkelijk voorstel heeft gedaan qua salaris en voorwaarden, maar dat hij van de baan heeft afgezien omdat hij teveel twijfels had. Volgens [K.] was het allemaal iets te mooi.

5.5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de per 21 juli 2006 ontstane werkloosheid verwijtbaar is en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat die werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.6. In artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Gemeenschap, ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.L. de Gier.

KR