Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
10-1864 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De medische beperkingen zijn niet onderschat. De belastbaarheid zoals neergelegd in de FML is juist vastgesteld. De voor de schatting gebruikte functies zijn geschikt voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1864 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 februari 2010, 07/457 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 3 mei 1997 wegens psychische klachten en schouderklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als seizoensmedewerker in de horeca. Aan hem is met ingang van 2 mei 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk sinds 8 december 1999 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 18 september 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 november 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van een verzekeringsarts, door wie appellant op 16 mei 2006 is onderzocht. Deze arts is, mede op basis van informatie van appellants behandelend huisarts, tot de conclusie gekomen dat appellant beperkt is voor het zwaar belasten van de schouder en beperkt is als gevolg van een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS). De beperkingen van appellant zijn door hem neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juli 2006. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in zijn rapportage van 12 februari 2007 een aantal functies genoemd die appellant met zijn beperkingen moet worden geacht te kunnen vervullen, waardoor de resterende verdiencapaciteit van appellant leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse zoals hiervoor genoemd.

1.3. In navolging van het advies van een bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 14 februari 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2006 ongegrond verklaard. Volgens de rapportage van 28 november 2006 van deze arts is de verzekeringskundige beoordeling zorgvuldig tot stand gekomen en zijn de opgestelde beperkingen voldoende consistent met de aanwezige objectiveerbare gegevens. In het bezwaarschrift van appellant zijn geen nieuwe medische feiten of gegevens genoemd die niet eerder bij de beoordeling van de verzekeringsarts zijn betrokken.

2.1. In beroep heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 22 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) in geding gebracht en de rechtbank verzocht dit besluit bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Bij dat besluit heeft het Uwv in navolging van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 19 november 2006 alsnog bepaald op 25 tot 35% in verband met het niet meer maximeren van de maatmanomvang op 38 uur.

2.2. Namens het Uwv is op verzoek van de rechtbank nog een nadere toelichting gegeven op (mogelijke) overschrijdingen van de voor appellant geldende belastbaarheid in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies. Ook heeft een bezwaarverzekeringsarts gereageerd op informatie van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg waar appellant op 1 juni 2007 op gesprek is geweest.

2.3. De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te raadplegen. De psychiater H.A. Droogleever Fortuyn merkt in zijn rapport van 11 november 2009 op, dat de klachten die appellant beschrijft en het verloop hiervan niet goed te begrijpen zijn als typisch voor een PTSS. Het klachtenpatroon dat appellant rapporteert is inconsistent en komt vaak niet overeen met berichten van de behandelaars. Appellant heeft verder positief gescoord op de test Structured Inventory for Malingered Symptomatology (SIMS), een instrument dat aggraveren dan wel simuleren van psychiatrische symptomen meet. Vanwege de twijfels aan de symptoomvaliditeit acht de deskundige het niet goed mogelijk een betrouwbare psychiatrische diagnose bij appellant te stellen. Wel kan de psychiater zich vinden in de vaststelling van de belastbaarheid en acht hij appellant in staat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten.

2.4. De rechtbank heeft de bevindingen en het oordeel van de deskundige Droogleever Fortuyn gevolgd en heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de voor appellant bestaande psychische beperkingen zoals omschreven in de FML niet onjuist heeft ingeschat en zij geen reden ziet te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde lichamelijke beperkingen. Op grond van de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen acht de rechtbank appellant in staat met de voor hem geldende belastbaarheid de geduide functies te verrichten. Deze overwegingen hebben de rechtbank geleid tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 14 februari 2007 heeft de rechtbank

niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het hoger beroep richt zich tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd. Verder heeft appellant gesteld dat zijn psychische en lichamelijke klachten zijn onderschat en dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In hoger beroep is de stelling dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat en dat hij niet in staat is de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de voor hem geschikte functies, niet ondersteund met gegevens van medische dan wel feitelijk aard die twijfel doen rijzen aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent. De Raad onderschrijft dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

Ook de Raad ziet, mede gelet op het rapport van de deskundige, geen aanleiding de belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML voor onjuist te houden.

Uitgaande van de juistheid van de FML, ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding voor het oordeel dat de voor de schatting gebruikte functies voor appellant niet passend zouden zijn.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.L. de Gier.

NK