Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
10-547 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering ongewijzigd. Medische beperkingen zijn niet onderschat. Geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen van appellant met betrekking tot de datum 23 oktober 2008. De Raad is echter op grond van de informatie van de psycholoog Saarloos van oordeel dat het Uwv ook had dienen te onderzoeken of er met ingang van juli 2007 sprake was van toegenomen psychische klachten, die toen tot toegenomen beperkingen aanleiding gaven. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ontbeert het een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/547 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2010, 09/2425 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 3 september 2010 een brief van 27 mei 2010 van psycholoog drs. F. Saarloos van Riagg Rijnmond en een brief van 27 augustus 2010 van A.C. van der Stelt, huisarts van appellant, overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was voorheen werkzaam als schoonmaker van trams. Hij heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 10 augustus 1995 arbeidsongeschikt gemeld met psychische problemen.

1.2. Met ingang van 8 augustus 1996 is appellant in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Nadien is de WAO-uitkering enkele malen herzien. Met ingang van 22 januari 2006 ontving appellant een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25. Na gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2006 het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep op 20 september 2006 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 3 september 2008 (LJN BE9843) de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 mei 2006 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.1. In verband met een claim toegenomen arbeidsongeschiktheid per 23 oktober 2008 heeft appellant op 11 februari 2009 het spreekuur van verzekeringsarts R.K. Kanhai bezocht. Laatstgenoemde heeft het dossier bestudeerd, een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Op basis hiervan heeft hij geconcludeerd dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van de FML van 27 maart 2006. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 20 februari 2009 vastgesteld dat appellant nieuwe gezondheidsklachten heeft en dat zijn WAO-uitkering niet wijzigt.

3. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep, die op de hoorzitting aanwezig was, geconcludeerd dat er geen aanleiding was om te veronderstellen dat appellant geen werkzaamheden zou kunnen verrichten conform de opgestelde FML. Van der Stoep heeft zijn conclusies gebaseerd op de reeds aanwezige dossiergegevens, zijn eigen onderzoeksbevindingen en de door de verzekeringsarts opgevraagde medische informatie bij de huisarts van appellant en bij de psycholoog en psychiater van appellant. Van der Stoep heeft geconcludeerd dat niet was aangetoond dat de belastbaarheid van appellant was gewijzigd. Hierna heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 februari 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 1 juli 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen van appellant op 23 oktober 2008 en aan de conclusie dat, uitgaande van de toepasselijkheid van artikel 39a van de WAO in het onderhavige geval, geen sprake was van een voor de toepassing van dat artikel relevante wijziging van de gezondheidstoestand van appellant.

5. In hoger beroep heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat onvoldoende waarde is gehecht aan de brief van 24 februari 2009 van psycholoog Saarloos en psychiater dr. C. Kalidien van Riagg Rijnmond. Appellant is van mening dat er pas sprake is van een zorgvuldig onderzoek wanneer hij alsnog wordt onderzocht door een onafhankelijk psycholoog of psychiater. De FML houdt onvoldoende rekening met zijn toegenomen klachten dan wel beperkingen.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad is van oordeel dat van een onvoldoende of onzorgvuldig medisch onderzoek, voorzover dat ziet op de datum 23 oktober 2008, geen sprake is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant tijdens het spreekuur van 11 februari 2009 lichamelijk en psychisch onderzocht en heeft dossierstudie verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en hij heeft de door de verzekeringsarts opgevraagde medische informatie in zijn beoordeling betrokken.

6.3. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant ten tijde in geding door het Uwv zijn onderschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep de brief van 24 februari 2009 van psycholoog Saarloos en psychiater Kalidien van Riagg Rijnmond in zijn beoordeling heeft betrokken. Uit deze brief komt naar voren dat er bij appellant de diagnose chronische posttraumatische stressstoornis is gesteld. De behandeling van appellant sedert juli 2007 bestaat uit steunende en structurerende gesprekken in het kader van cognitieve gedragstherapie. De focus van de behandeling ligt op het verwerken van de traumata, cognitieve herstructurering en het creëren van structuur in zijn dagelijks leven. Daarnaast is er sprake van psychofarmacotherapie. De Raad is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts, gezien de bevindingen, de overige medische informatie, waaronder die over de behandeling van appellant, en het onderzoek van de verzekeringsarts, op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de klachten van appellant. De Raad merkt nog op dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding, te weten 23 oktober 2008. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een psychologisch of psychiatrisch onderzoek voor de datum in geding.

6.4. Uit de overwegingen 6.2 en 6.3 komt naar voren dat de Raad van oordeel is dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen van appellant met betrekking tot de datum 23 oktober 2008. De brief van 21 november 2007 van psycholoog Saarloos van Riagg Rijnmond en de in overweging 1.3 genoemde uitspraak van de Raad van 3 september 2008 (LJN BE9843), heeft bij de Raad de vraag doen rijzen of niet mogelijk per een eerdere datum sprake was van toegenomen klachten. Uit de brief van 21 november 2007 van psycholoog Saarloos blijkt dat appellant sedert juli 2007 in psychotherapeutische behandeling is gekomen nadat de intensiteit en de frequentie van zijn klachten waren toegenomen. Saarloos heeft voorts aangegeven dat appellant in een zorgwekkende toestand bij hem werd aangenomen. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv ook had dienen te onderzoeken of er met ingang van juli 2007 sprake was van toegenomen psychische klachten, die toen tot toegenomen beperkingen aanleiding gaven. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, - de gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat deze mogelijk beter claimbare datum inderdaad niet is beoordeeld - is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6.5. Gelet op overweging 6.4 dient het bestreden besluit te worden vernietigd en deelt ook de aangevallen uitspraak dit lot. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij het, gezien de vernietigingsgrond van het bestreden besluit, in de rede ligt dat de bezwaarverzekeringsarts een oordeel geeft over de gezondheidstoestand van appellant met betrekking tot juli 2007.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.081,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2009 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij niet is geoordeeld over een datum in juli 2007;

Draagt het Uwv op om opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.081,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 151,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ