Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
10-392 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De FML is naar het oordeel van de Raad niet gegrondvest op de fysieke bevindingen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In de FML zijn op een aantal aspecten lichtere beperkingen aangenomen, zonder dat er een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dan in de voorgaande FML van 28 augustus 2007. Het besluit is onzorgvuldige voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/392 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2009, 09/1724 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellante is -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 8 juni 1999 uitgevallen voor haar werkzaamheden als management trainee wegens whiplashklachten na een auto-ongeval.

1.2. Met ingang van 2 juni 2000 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit heeft de arts V.R. Evegaars de belastbaarheid van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 augustus 2007. Het arbeidskundig onderzoek en de schatting werden vervolgens uitgesteld in verband met de zwangerschap van appellante.

2.2. Op 17 november 2008 heeft er een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden in het kader van de in 2.1 vermelde herbeoordeling waarbij verzekeringsarts R.K. Kanhai een psychisch onderzoek heeft verricht bij appellante. In een rapport van 18 november 2008 heeft Kanhai aangegeven dat de nadruk ligt op de psychische problematiek. Daarnaast heeft appellante desgevraagd door Kanhai aangegeven pijn in de schouders en in de onderrug te hebben en is sprake van gynaecologische klachten. Tevens heeft Kanhai de verkregen informatie van de huisarts van appellante betrokken in zijn beoordeling en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 23,2%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2009 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.1. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij zich meer beperkt acht dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Appellante heeft hevige pijnklachten als gevolg van een keizersnede en zij heeft veel last van de whiplashklachten. De verzekeringsarts had de uitslagen van de onderzoeken van de gynaecoloog moeten afwachten.

3.2. In haar rapportage van 15 april 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest, die op de hoorzitting aanwezig was, geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de vastgestelde belastbaarheid te herzien. De verzekeringsarts heeft zijn conclusies gebaseerd op de reeds aanwezige dossiergegevens, inclusief zeer veel medische informatie, zijn eigen onderzoeksbevindingen en de bij de huisarts opgevraagde gegevens. In bezwaar is geen nieuw beeld ontstaan omtrent de belastbaarheid van appellante en zijn er ook geen nieuwe medisch geobjectiveerde feiten aangedragen op grond waarvan de belastbaarheid herzien zou moeten worden. Verder heeft Van Geest in haar rapportage aan de hand van de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden gemotiveerd waarom er niet kan worden gesproken van een noodzaak tot een urenbeperking.

3.3. Het Uwv heeft vervolgens het door appellante tegen het besluit van 15 januari 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 20 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische situatie in de laatste jaren niet verbeterd is en dat het Uwv niettemin minder vergaande medische beperkingen heeft aangenomen dan bij de voorgaande beoordelingen. Appellante kan zich niet verenigen met het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er op basis van haar medische toestand geen grond is voor een urenbeperking. Tevens overschrijden de geduide functies haar belastbaarheid waardoor de functies dienen te vervallen.

4.2. Onder verwijzing naar het rapport van 3 november 2009 van bezwaarverzekeringsarts Van Geest heeft het Uwv zijn standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit gehandhaafd.

4.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Tevens bevat de in beroep overgelegde medisch informatie geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat deze functies voor appellante ook zonder inachtneming van een urenbeperking geschikt zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de signaleringen van de functies nader zijn toegelicht door zowel de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 14 januari 2009 als door de gemachtigde van het Uwv ter zitting.

5. In hoger beroep stelt appellante zich andermaal op het standpunt dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Appellante wordt nog steeds onderzocht en behandeld en is absoluut niet in staat om de geduide functies te verrichten. De geduide functies overschrijden haar belastbaarheid waardoor de functies dienen te vervallen.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2.1. De Raad stelt vast dat het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door verzekeringsarts Kanhai. Hij heeft dossierstudie verricht, een psychisch onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. Van het verrichten van een lichamelijk onderzoek heeft Kanhai afgezien omdat er spontaan geen lichamelijke klachten waren. Op 11 december 2008 heeft Kanhai een FML opgesteld waarin onder meer fysieke beperkingen zijn opgenomen. De FML is naar het oordeel van de Raad niet, althans niet kenbaar, gegrondvest op de fysieke bevindingen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De Raad merkt hierbij op dat in de FML op een aantal aspecten lichtere beperkingen zijn aangenomen, zonder dat er een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dan in de voorgaande FML van 28 augustus 2007. Dit betreft de aspecten: 3.8 trillingsbelasting, 4.6 werken met toetsenbord en muis, 4.9 frequent reiken tijdens het werk, 4.14 tillen of dragen, 4.15 frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk, 5.1 zitten, 5.2 zitten tijdens het werk en 5.8 het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk.

6.2.2. De Raad is van oordeel dat uit de rapportage van Kanhai niet blijkt waarom hij zonder bij appellante een lichamelijk onderzoek te verrichten lichtere beperkingen heeft kunnen vaststellen. De enkele omstandigheid dat appellante aan Kanhai eerst naar aanleiding van vragen de lichamelijke klachten meldde, acht de Raad onvoldoende redengevend. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook afgezien van het verrichten van een lichamelijk onderzoek en heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd.

6.3. Gelet op de overwegingen 6.2.1 en 6.2.2 in samenhang met overweging 4.3 deelt ook de aangevallen uitspraak het lot van het bestreden besluit. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij het, gezien de vernietigingsgrond van het bestreden besluit, in de rede ligt dat de bezwaarverzekeringsarts bij appellante een lichamelijk onderzoek zal verrichten.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 759,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het Uwv op om opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 759,-;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 151,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR