Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
08/6832 ANW + 08/7342 ANW + 08/7343 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag ANW-uitkering omdat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was. Verzoek om toelating tot ‘gewone’ vrijwillige verzekering is te laat gedaan. Niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding verschoonbaar is. Beroep op toelating tot vrijwillige verzekering op grond van KB720, baat niet aangezien haar echtgenoot niet overleden is op een dag gelegen voor 1 januari 2006. Beroep op vertrouwensbeginsel, internationale verdragen en supranationale regelingen slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6832 ANW, 08/7342 ANW en 08/7343 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2008, 08/640 (aangevallen uitspraak 1), de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 08/1916 (aangevallen uitspraak 2), en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 08/1918 (aangevallen uitspraak 3), hierna tezamen ook te noemen: aangevallen uitspraken,

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraken.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Op 13 januari 2010 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb was vertegenwoordigd door J.Y. van den Berg en mr. N. Zuidersma. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Vervolgens zijn de hoger beroepen van appellante gevoegd en heeft op 19 mei 2010 andermaal onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is opnieuw verschenen bij haar gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb was vertegenwoordigd door J.Y. van den Berg en mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

Hierna is het onderzoek heropend teneinde de Svb in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. De Raad is bij schrijven van 16 juli 2010 door de Svb van de uitkomsten van dit onderzoek op de hoogte gesteld.

Vervolgens heeft op 8 oktober 2010 nogmaals onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is daar andermaal verschenen bij haar gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J. Oudenes en mr. H.S. van Zanten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1970, woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. In 1989 is appellante gehuwd met [echtgenoot], geboren in 1932. De echtgenoot van appellante heeft in Nederland gewoond en gewerkt en is naar Marokko geremigreerd.

1.2. [In] 2006 is de echtgenoot van appellante in Marokko overleden.

1.3. Hierna heeft appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Op deze aanvraag is bij besluit van 12 september 2007 afwijzend beslist op de grond dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was.

1.4. Vervolgens heeft appellante de Svb bij brief van 22 oktober 2007 verzocht om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW, hetzij op grond van de ‘gewone’ regeling, hetzij op gelijke voorwaarden als toelating tot de vrijwillige verzekering op basis van het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Nabestaandenwet voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden over een periode gelegen voor 1 januari 2006 (Stb 2005, 720, hierna: KB 720).

1.5. Bij besluiten van 29 november 2007 heeft de Svb het verzoek afgewezen om de echtgenoot van appellante hetzij op grond van de ‘gewone’ regeling hetzij met overeenkomstige toepassing van KB 720 postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW.

1.6. Appellantes bezwaren tegen de onder 1.3 en 1.5 genoemde besluiten zijn achtereenvolgens bij besluit van 9 januari 2008 (besluit op bezwaar 1) en bij besluiten van 4 april 2008 (besluit op bezwaar 2 en besluit op bezwaar 3) door de Svb ongegrond verklaard. Daartoe is in besluit op bezwaar 2 overwogen dat de aanmelding voor de ‘gewone’ vrijwillige verzekering voor de ANW ingevolge artikel 63b van de ANW dient te geschieden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten op bezwaar 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak betoogd dat de Svb haar echtgenoot postuum dient toe te laten tot de ‘gewone’ vrijwillige verzekering, omdat hij door de Svb er niet van in kennis is gesteld, dat hij, na de beëindiging van de verplichte verzekering voor in het buitenland wonende postactieven per 1 januari 2000, de mogelijkheid had om zich aansluitend vrijwillig voor de ANW te verzekeren. Verder is aangevoerd dat de beëindiging van de verplichte verzekering voor de ANW per 1 januari 2000 strijdig is met het vertrouwensbeginsel en diverse internationale verdragen en supranationale regelingen.

3.2. De Svb heeft in hoger beroep aangegeven dat de echtgenoot van appellante pas bij besluit van 14 juni 1999 met ingang van oktober 1997 op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen is toegekend. Hierdoor is de mailing van 25 maart 1999 over de beëindiging per 1 januari 2000 van de verplichte verzekering voor de ANW voor in het buitenland wonende postactieven waarschijnlijk niet naar de echtgenoot van appellante verzonden. Verder heeft de Svb aangegeven dat ook de mailing van 15 augustus 1999 waarschijnlijk niet naar de echtgenoot van appellante is verzonden, aangezien hij abusievelijk niet tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd is geacht voor de ANW, maar tot 1 juli 1999.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

Verzoek toelating tot ‘gewone’ vrijwillige verzekering.

4.2. Ingevolge artikel 63b van de ANW is de gewezen verzekerde die een ‘gewone’ vrijwillige verzekering wil afsluiten, verplicht daartoe bij de Svb een aanvraag in te dienen uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. Deze termijn is in het onderhavige geval (ruimschoots) overschreden, terwijl niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding verschoonbaar is. In dit verband acht de Raad in het onderhavige geval niet van doorslaggevende betekenis of, en zo ja wanneer, de Svb de echtgenoot van appellante actief heeft geïnformeerd over de mogelijkheid een vrijwillige verzekering voor de ANW af te sluiten. Vaststaat dat aan de echtgenoot van appellante bij besluit van 14 juni 1999 ingevolge de AOW een ouderdomspensioen is toegekend, dat op dit pensioen vanaf juli 1999 geen premies zijn ingehouden voor de volksverzekeringen en dat de echtgenoot van appellante derhalve bekend kon zijn dat hij vanaf juli 1999 niet verzekerd werd geacht voor de ANW. Dit heeft de echtgenoot van appellante ook af kunnen leiden uit de door de Svb verzonden uitkeringsspecificaties en jaaropgaven. Indien de echtgenoot van appellante de verzekering voor de ANW niet had willen prijsgeven, had het - te meer nu hij in het buitenland woonde - op zijn weg gelegen om contact te zoeken met de Svb. Dat zijn verplichte verzekering achteraf bezien tot 1 januari 2000 heeft voortgeduurd, doet aan het vorenstaande niet af.

Verzoek toelating tot vrijwillige verzekering op grond van KB720.

4.3. Wat betreft het beroep van appellante op de in KB 720 opgenomen regeling volstaat de Raad met de overweging dat, zo de Raad in het onderhavige geding al zou kunnen komen tot het oordeel dat KB 720 door de Svb overeenkomstig had moeten worden toegepast, dit appellante - gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van KB 720 - niet zou baten, aangezien haar echtgenoot niet overleden is op een dag gelegen voor 1 januari 2006.

Beroep op vertrouwensbeginsel, internationale verdragen en supranationale regelingen.

4.4. Vervolgens resteert nog het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel en diverse internationale verdragen en supranationale regelingen. Dienaangaande verwijst de Raad kortheidshalve naar zijn uitspraak van 26 mei 2010 (LJN BM6338), waarin de gemachtigde van appellante ook is opgetreden.

5. Gelet op het vorenstaande slagen de hoger beroepen van appellante niet. De aangevallen uitspraken zullen daarom door de Raad worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.L. de Gier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

KR