Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09-6799 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht ontstaan op WIA-uitkering. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Het Uwv heeft genoegzaam toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6799 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 november 2009, 08/1476 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.M.M. Kusters, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kusters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster toen zij zich met ingang van 15 april 2005 ziek meldde met lichamelijke klachten ten gevolge van zwangerschap (bekkenklachten) en psychische klachten.

1.2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 19 juli 2007 onderzocht door de verzekeringsarts M.E. Wassenaar. In een rapport van 20 juli 2007 vermeldde Wassenaar dat voor de bekkenklachten het anatomisch substraat ontbreekt. Haar conclusie was dat appellante niet geschikt is voor fysiek zwaar rug/bekkenbelastend werk. Wassenaar zag geen aanwijzingen voor een ernstige stemmingsstoornis. Ten aanzien van de volgens Wassenaar nog bestaande milde psychische klachten dient rekening gehouden te worden met beperkingen ten aanzien van werken met conflicten en deadlines. Wassenaar heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 juli 2007. De arbeidsdeskundige G.J.J.M. Verhaagh heeft blijkens een rapport van 30 augustus 2007 na functieduiding vastgesteld dat er een loonverlies was van 23%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2007 vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 13 maart 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk die bij de hoorzitting aanwezig is geweest. Van der Valk heeft in haar rapport van 31 januari 2008 geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundig oordeel. Gezien de forse discrepantie tussen de eigen bevindingen en de bevindingen van de verzekeringsarts ten aanzien van de psychiatrische gesteldheid van appellante ten opzichte van de bevindingen van de behandelend psycholoog C. Acarturk, die spreekt van een depressieve stoornis in ernstige mate, wordt een expertise aangevraagd bij psychiater B. Oskam.

1.4. Oskam heeft in zijn rapport van 18 februari 2008 geen objectiveerbare psychiatrische beperkingen als gevolg van een invaliderend psychiatrisch ziektebeeld kunnen vaststellen. Op As I van de DSM-IV Classificatie kon Oskam geen diagnose stellen en op As II gaf Oskam aan “karakterneurotische persoonlijkheidsorganistatie. Betrokkene voldoet niet geheel aan de criteria voor het stellen van een persoonlijkheidsstoornis”.

De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens in haar rapport van 3 april 2008 geconcludeerd dat de bevindingen aanleiding geven de FML van 20 juli 2007 wat betreft de lichamelijke belasting terug te brengen tot normaal functioneren. De FML is op

7 april 2008 aangepast.

Bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk heeft in zijn rapport van 11 april 2008 nieuwe functies geselecteerd en vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 23,33% bedraagt. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 april 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft in beroep tegen het bestreden besluit een op haar verzoek uitgebrachte expertise van psychiater M. Kazemier van 18 mei 2009 aan de rechtbank gezonden. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld in de rapportage van 7 juli 2009 adequaat heeft gemotiveerd waarom de expertise van Oskam een betere indruk geeft van de belastbaarheid per de datum in geding, 13 maart 2007, dan het onderzoek van Kazemier. De rechtbank is niet gebleken dat de geduide functies voor appellante ongeschikt zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is door het Uwv terecht bepaald op minder dan 35%.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellante is van mening dat bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en de beperkingen die zij ten gevolge daarvan ondervindt. Appellante heeft weer gewezen op de rapportage van Kazemier. Naar het oordeel van appellante liggen er twee tegengestelde visies van verschillende psychiaters en zij heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen. Appellante heeft in hoger beroep stukken ingediend van 2 maart 2010 die betrekking hebben op het WSW-traject waarin zij sinds december 2009 12 uur per week werkt. Hieruit blijkt volgens appellante dat zij niet in staat is tot werk buiten deze beschermde omgeving en zeker niet voor hele dagen. Voorts acht appellante de geduide functies te belastend.

4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad is van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De Raad wil hierbij opmerken dat het de specifieke taak en deskundigheid van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Naar het oordeel van de Raad zijn er, gelet op de bevindingen van Wassenaar en Van der Valk alsmede het rapport van psychiater Oskam, bij het psychisch onderzoek, geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij meer beperkt is ten gevolge van haar psychische klachten dan in de FML is aangenomen. De Raad is van oordeel dat de expertise van Kazemier onvoldoende aanknopingspunten biedt om voor de datum in geding te twijfelen aan de - mede op basis van de bevindingen van Oskam - vastgestelde beperkingen. Het standpunt van Kazemier dat de bij zijn onderzoek vastgestelde beperkingen ook op de datum in geding aanwezig zullen zijn geweest, is in zijn rapport immers niet verder onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Ook de informatie met betrekking tot het WSW-werk leidt de Raad niet tot een andere visie op de belastbaarheid van appellante per 13 maart 2007 aangezien deze informatie niet is gericht op deze datum en ook overigens geen gegevens bevat waardoor twijfel ontstaat aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.

4.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting uiteindelijk ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), textielproductenmaker (sbc-code 111160) en magazijn- expeditiemedewerker (sbc-code 111220) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Met de arbeidskundige rapportage van 11 april 2008 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

4.3. Met betrekking tot de grond van appellante dat de geduide functies niet geschikt zouden zijn vanwege een hoog handelingstempo, de vereiste concentratie en te zwaar tillen overweegt de Raad dat appellante op deze aspecten niet beperkt is geacht door de bezwaarverzekeringsarts zodat deze grond niet kan slagen.

5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

TM