Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
10-921 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen sprake van overschrijding - op het aspect zitten - van de belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/921 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 december 2009, 09/76 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.M.M. Kusters, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd commentaren van de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen van 18 maart 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk van 30 maart 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellante is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als Z-verpleegkundige toen zij in 1985 uitviel met rugklachten. Aan appellante is met ingang van 5 februari 1986 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Appellante is voor een herbeoordeling op 24 juli 2007 onderzocht door de verzekeringsarts A.R. Hellekamp. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Hellekamp dat appellante bekend is met een M. Scheuermann en discopathie. Er is geen lopende behandeling. Op basis van het eigen onderzoek kwam Hellekamp tot de conclusie dat er sprake is van een chronisch pijnsyndroom waarvan de klachten niet meer te verklaren zijn door de afwijkingen op zich. Hellekamp achtte appellante in staat tot het verrichten van rugsparende werkzaamheden. Op 11 maart 2008 heeft Hellekamp appellante opnieuw op het spreekuur gezien in verband met de beperkte geldigheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In zijn rapport van 28 juli 2008 kwam Hellekamp tot de conclusie dat er een duidelijke afwijking in de rug is vast te stellen, maar dat het de vraag is of deze de klachten kan verklaren. In de FML van 28 juli 2008 heeft de verzekeringsarts beperkingen aangegeven ten aanzien van rugbelastende aspecten. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat geen sprake is van verlies aan verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij besluit van 18 september 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 november 2008 in.

3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts, die de beschikking kreeg over informatie van de behandelend neuroloog dr. C.C. Thijssen van 11 augustus 2008, in zijn rapport van 24 november 2008 geconcludeerd dat er sprake is van voldoende zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts en dat de geformuleerde beperkingen ruimschoots consistent zijn met de objectiveerbare problematiek.

Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 27 november 2008 de bezwaren van appellante tegen het besluit van 18 september 2008 ongegrond.

4. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Daarbij onderschreef zij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar chronische rugklachten niet in staat is langere tijd aaneen dezelfde houding aan te nemen, met name bij zitten. Appellante is van mening dat niet voldoende is gemotiveerd waarom de beperking voor zitten in de FML is gewijzigd van maximaal een half uur naar een uur aaneen, terwijl de klachten zijn toegenomen. Voorts acht appellante zich niet in staat om de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Bij de functie arbeidsdeskundige (sbc-code 721011) is ten aanzien van het aspect zitten sprake van een ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid omdat tijdens een overleg twee uur aaneen gezeten moet worden. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij niet voldoet aan de vereiste werkervaring voor de voornoemde functie van arbeidsdeskundige en voor de functie schoolverpleegkundige (sbc-code 692061). Wat betreft de laatste functie voldoet appellante ook niet aan het vereiste diploma.

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Daarbij wijst de Raad op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen van 18 maart 2010 waarin deze arts heeft uiteengezet dat bij het opstellen van de FML van 28 juli 2008 rekening is gehouden met de rugklachten van appellante en dat er geen lineaire relatie is tussen het hebben van klachten en de afwijkingen ten gevolge van slijtage aan de rug die bij appellante zijn vastgesteld. De Raad wijst er op dat de bij appellante vastgestelde slijtage reeds jaren bekend was en dat uit de informatie van de behandelend neuroloog Thijssen van 11 augustus 2008 (die bekend was bij de bezwaarverzekeringsarts) niet valt af te leiden dat de beperkingen ernstig zijn toegenomen. Voorts heeft appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding.

6.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van arbeidsdeskundige (sbc-code 721011), schoolverpleegkundige (sbc-code 692061) en telefonist, receptionist (sbc-code 315120) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapporten van 21 januari 2009 en 30 maart 2010 heeft toegelicht dat in de functie arbeidsdeskundige het overleg dat anderhalf tot twee uur duurt ongeveer eenmaal per maand plaatsvindt en er in dit (interne) overleg te allen tijde de vrijheid is om even te vertreden. Gelet op deze vrijheid en het incidentele karakter acht de bezwaarverzekeringsarts geen overschrijding - op het aspect zitten - van de belastbaarheid aanwezig. De Raad onderschrijft deze toelichting van de bezwaarverzekeringsarts. Tevens onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige over de opleidings- en ervaringseisen. In de functies arbeidsdeskundige en schoolverpleegkundige wordt geen specifieke ervaring verlangd. Voorts voldoet het diploma HBO-V van appellante aan het in laatstgenoemde functie vereiste diploma HBO verpleegkunde of maatschappelijke gezondheidszorg, terwijl appellante voorts een rijbewijs B heeft.

7. Uit de overwegingen 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG