Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09-278 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante, rekeninghoudend met de vermogensgrens van € 5.180,-- voor een alleenstaande, in die periode beschikte over middelen om zelf in het bestaan te voorzien. Appellante heeft met ingang van 9 november 2005 aanspraak gekregen op de nalatenschap van haar moeder en pas later daar feitelijk de beschikking over gekregen. De bijstand is aan appellante dus niet ten onrechte verleend. Dat betekent dat het College niet bevoegd was om de bijstand van appellante te herzien of in te trekken met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. In zoverre slaagt het betoog van appellante dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en het besluit van 4 juni 2007 had moeten vernietigen voor zover daarbij de intrekking van bijstand is gehandhaafd. Het College was wel bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van verleende bijstand terug te vorderen voor zover het bedrag van het beschikbaar gekomen erfdeel, met inachtneming van de op 9 november 2005 aanwezige overige vermogensbestanddelen, de toen geldende grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. De in hoger beroep opgeworpen grond van appellante dat het College de terugvordering niet mag bruteren, mist feitelijke grondslag. Het College vordert immers de netto betaalde bijstand terug. Dit leidt tot de conclusie dat het College bevoegd is een bedrag van € 7.999,04 van appellante terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/278 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 november 2008, 07/624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nog een schriftelijke reactie op elkaars standpunten ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 7 september 2010. Partijen zijn zoals aangekondigd niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het College met toepassing van artikel 34 van de WWB het vermogen van appellante vastgesteld op € 3.067,-- en de vermogensruimte op € 2.038,--.

1.2. Op 9 november 2005 is de moeder van appellante overleden. Haar nalatenschap had op de overlijdensdatum een waarde van € 13.179,04. Appellante heeft de gehele nalatenschap verkregen.

1.3. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 maart 2006 tot en met 6 december 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien en een bedrag van

€ 7.999,04 van appellante teruggevorderd. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante, rekeninghoudend met de vermogensgrens van € 5.180,-- voor een alleenstaande, in die periode beschikte over middelen om zelf in het bestaan te voorzien.

1.4. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard en een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedure toegekend. Het College heeft daarbij de periode waarover de bijstand werd herzien, doen aanvangen op 9 november 2005 en het einde daarvan bepaald op

21 juli 2006. De kosten van bijstand heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB teruggevorderd. Dit besluit berust onder meer op de overwegingen dat weliswaar de begrafeniskosten in mindering moeten worden gebracht op de nalatenschap, maar dat de terugvordering met toepassing van de onder 1.1 genoemde vermogensruimte een bedrag van € 9.341,-- omvat. In verband met het verbod op reformatio in peius heeft het College het bedrag van de terugvordering op € 7.999,04 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er geen sprake was van herziening, maar van intrekking van bijstand.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand.

Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

4.2. Appellante heeft met ingang van 9 november 2005 aanspraak gekregen op de nalatenschap van haar moeder en pas later daar feitelijk de beschikking over gekregen. De bijstand is aan appellante dus niet ten onrechte verleend. Dat betekent dat het College niet bevoegd was om de bijstand van appellante te herzien of in te trekken met toepassing van

artikel 54, derde lid, van de WWB. In zoverre slaagt het betoog van appellante dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en het besluit van 4 juni 2007 had moeten vernietigen voor zover daarbij de intrekking van bijstand is gehandhaafd.

4.3. Het College was wel bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van verleende bijstand terug te vorderen voor zover het bedrag van het beschikbaar gekomen erfdeel, met inachtneming van de op 9 november 2005 aanwezige overige vermogensbestanddelen, de toen geldende grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt.

4.4. Appellante heeft in hoger beroep het betoog herhaald dat het College bij de terugvordering diende uit te gaan van haar vermogen ten tijde van het overlijden van haar moeder en dat dit gevolgen heeft voor de terugvordering. Dit betoog moet falen.

Het College is bij de besluitvorming er van uitgegaan dat appellante op die datum geen vermogen had. Dat is in overeenstemming met de stelling van appellante dat haar vermogen kleiner was dan € 1.000,--. Voor zover appellante bedoelt te betogen dat het College niet terug mocht komen op de aanvankelijk toegepaste vermogensvrijlating van

€ 5.180,--, overweegt de Raad aldus. Bij de heroverweging van het besluit van 6 februari 2007 mocht het College de juiste vermogenstoets toepassen. De uitkomst van de heroverweging heeft niet tot een voor appellante nadeliger resultaat geleid. Daarom faalt het betoog ook in zoverre.

4.5. Appellante heeft voorts betoogd dat zij weliswaar feitelijk de beschikking heeft gekregen over de gehele nalatenschap, maar dat zij die moet delen met twee zusters. Ook dit betoog kan haar niet baten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat haar zusters aanvankelijk hebben afgezien van hun kindsdeel. De enkele stelling dat zij van gedachten zijn veranderd en hun deel zouden willen opeisen is onvoldoende om te oordelen dat niet het volledige bedrag van de nalatenschap tot haar middelen behoort.

4.6. De in hoger beroep opgeworpen grond van appellante dat het College de terugvordering niet mag bruteren, mist feitelijke grondslag. Het College vordert immers de netto betaalde bijstand terug.

4.7. Dit leidt tot de conclusie dat het College bevoegd is een bedrag van € 7.999,04 van appellante terug te vorderen. In hoger beroep is de uitoefening van die bevoegdheid niet langer bestreden.

4.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand is gehandhaafd, vernietigen wegens strijd met de wet. De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het primaire besluit van 6 februari 2007 in zoverre herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit 4 juni 2007, voor zover daarbij de herziening van de bijstand is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 6 februari 2007, voor zover daarbij de bijstand is herzien;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante: in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellante; en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

SB