Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
10-307 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Psychische beperkingen niet onderschat. Aangezien eerst in hoger beroep afdoende arbeidskundige toelichting is gegeven, wordt besluit vernietigd met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/307 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 december 2009, 09/3738 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 24 maart 2010 een rapport met bijlagen van de bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit van dezelfde datum overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als inpakster toen zij zich op 15 mei 2000 ziek meldde als gevolg van psychische klachten verband houdende met een schildklieraandoening en met hoofdpijn. Aan appellante is met ingang van 14 mei 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De arts D. Gimbel heeft in het kader van een herbeoordeling in een rapport van 24 april 2003 geconcludeerd dat de klachten die eerder aanleiding waren tot forse beperkingen zijn verbeterd tot een niveau waarop normaal functioneren tot de mogelijkheden behoort. Volgens Gimbel waren er geen beperkingen behoudens het niet beheersen van het Nederlands. Deze conclusie is bevestigd in het aanvullende rapport van de verzekeringsarts P. Hulleman van 7 mei 2003. Bij het daaropvolgend arbeidskundig onderzoek werd appellante vervolgens geschikt geacht voor haar maatgevende functie. Hierna trok het Uwv bij besluit van 15 september 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van

9 november 2003 in. Nadien leidden ziekmeldingen op 26 juli 2004 onderscheidenlijk 1 september 2005 tot hersteldverklaringen met ingang van 20 december 2004 respectievelijk 29 maart 2006.

2. Naar aanleiding van de op 9 september 2008 ontvangen aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts J.G. Schotborgh-Okken appellante op

26 september 2008 onderzocht. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Schotborgh-Okken als klachten met name buik- en hoofdpijn en zij concludeerde dat er geen sprake was van een kennelijk andere ziekteoorzaak dan die waarvoor appellante eerder tijdelijk een WAO-uitkering genoot. Vanaf 7 januari 2007 diende appellante, aldus Schotborgh-Okken, als volledig arbeidsongeschikt te worden beschouwd omdat door de wisselende klachten geen duidelijke uitspraak meer kon worden gedaan over de belastbaarheid vier weken na 7 januari 2007. Vanaf 26 september 2008 achtte Schotborgh-Okken appellante echter op basis van haar bevindingen bij psychisch en lichamelijk onderzoek in staat tot het doen van fysiek niet te zwaar werk, dat niet te stressvol was. De beperkingen legde Schotborgh-Okken vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Hierna kende het Uwv bij besluit van 24 november 2008 aan appellante, in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 januari 2007 en gelet op haar aanvraag van 8 september 2008, met ingang van 8 september 2007 een volledige WAO-uitkering toe, welke bij besluit van

25 november 2007 met ingang van 26 januari 2009 werd ingetrokken. Tevens wees het Uwv bij besluit van 24 november 2008 de aanvraag om een Wet WIA-uitkering af.

3. In de bezwaarprocedure ontving de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn informatie van de huisarts van 27 april 2009, welke inhield dat appellante de laatste maanden enige malen op het spreekuur was geweest met hoofdpijnklachten waarvoor zij fysiotherapie vroeg omdat dat eerder goed hielp bij hoofdpijnklachten. Van Duijn beschreef in zijn rapport van 4 mei 2009 de medische voorgeschiedenis en de ter hoorzitting verkregen toelichting op de klachten, waaronder met name de hoofdpijnklachten. Mede in verband met de informatie van de huisarts concludeerde Van Duijn dat het standpunt van appellante dat zij vanwege de hoofdpijnklachten niet kan functioneren, niet kon worden gedeeld. Hij onderschreef de door Schotborgh-Okken vastgestelde FML. Bij besluit van 6 mei 2009 verklaarde het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 en 25 november 2008 ongegrond.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. Wat betreft de afwijzing van de gevraagde Wet WIA-uitkering wees de rechtbank erop dat op grond van artikel 120, aanhef en sub b, van de Wet WIA geen recht op een dergelijke uitkering bestaat omdat de bij het besluit van 24 november 2008 toegekende WAO-uitkering voortvloeide uit de toepassing van artikel 43a van de WAO en deze toegekende uitkering pas was ingetrokken met ingang van 9 november 2003 (lees: 26 januari 2009). Voorts onderschreef de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit met de overweging dat van de zijde van appellante geen objectiveerbare medische informatie was ingebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Verder ontmoette ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit bij de rechtbank geen bedenkingen.

5.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat aan appellante ten onrechte geen Wet WIA-uitkering is verstrekt en dat appellante meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.

5.2. Het Uwv heeft met overlegging van het in rubriek I vermelde rapport van bezwaararbeidsdeskundige De Wit de functieduiding, ten grondslag gelegd aan de intrekking van de WAO-uitkering van appellante, gecorrigeerd, het maatmaninkomen bijgesteld, de signaleringen bij de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies nader gemotiveerd en vastgesteld dat ook dan geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen.

6.1. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellante desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat de gronden welke verband houden met de afwijzing van de gevraagde Wet WIA-uitkering, gezien de aangevallen uitspraak, vervallen. De Raad zal zich bij zijn beoordeling dan ook beperken tot de medische grondslag van het bestreden besluit en de daarmee samenhangende vraag of de functies medisch geschikt zijn voor appellante.

6.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien daarover anders te oordelen dan de rechtbank. Uit de in de bezwaarprocedure overgelegde informatie van de huisarts, bij wie appellante volgens haar gemachtigde na de beëindiging van de behandeling voor haar psychische klachten in juni 2008 bij Parnassia/Psyq nog onder behandeling stond, valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat vanwege het Uwv de psychische beperkingen van appellante zouden zijn onderschat. De informatie van de huisarts ziet immers alleen op de door appellante gevraagde fysiotherapie voor haar hoofdpijnklachten. Wat betreft de overige klachten van appellante onderschrijft de Raad het in overweging 4.2 weergegeven oordeel van de rechtbank. Ten slotte valt uit overweging 1 af te leiden dat appellante voorheen niet voordurend arbeidsongeschikt is geacht en gaf Schotborgh-Okken aan, zoals in overweging 2 is weergegeven, dat bij appellante in elk geval vanaf 7 januari 2007 sprake was van een wisselend beeld.

6.3. Wat betreft de functieduiding, welke aan de intrekking van de uitkering met ingang van 26 januari 2009 ten grondslag is gelegd en waartegen appellante overigens geen afzonderlijke gronden heeft ingebracht, overweegt de Raad dat uit het meergenoemde rapport van De Wit geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat, zoals ook van de zijde van het Uwv ter zitting is aangegeven, deze eerst met dit rapport aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Dit betreft zowel de correctie van de functieduiding op zich als de toelichting op de signaleringen.

6.4. Uit overweging 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven, dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 25 november 2008, moet worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand blijven.

7. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 874,- voor die bijstand in hoger beroep, in totaal derhalve op € 1.518,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.518,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 151,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

JL