Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/3834 WAO + 10/2212 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Het Uwv heeft bij het besluit niet volledig beslist op het bezwaar tegen de terugvordering, hetgeen leidt tot vernietiging wegens strijd met art. 7:11, lid 2, Awb. De Raad voorziet zelf in de zaak. Betrokkene heeft een deel van zijn vroegere werkzaamheden hervat, namelijk de acquisitie, en aan hem is een aandeel in de winst toegekend. Niet aannemlijk gemaakt dat sprake is van veranderde omstandigheden, op grond waarvan geen inkomsten aan betrokkene toegekend zouden moeten worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3834 WAO

10/2212 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 juni 2009, 08/914 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 6 april 2010 worden op verzoek van de Raad nadere stukken toegezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 18 maart 2010 nadere vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2010, waar appellant werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als zelfstandig ondernemer in een vennootschap onder firma met zijn echtgenote. Sedert

2 september 2004 zijn hem uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellant ontvangt een tweetal besluiten, te weten betreffende de WAZ- respectievelijk WAO-uitkering. Bij besluiten van 26 mei 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkeringen over het jaar 2006 in verband met zijn inkomsten uit arbeid over dat jaar worden uitbetaald als was hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het Uwv een bedrag van € 28.460,11 van appellant teruggevorderd aan over 2006 ten onrechte betaalde uitkeringen WAO en WAZ. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de twee besluiten van 26 mei 2008 en van

1 juli 2008 gegrond verklaard en besloten dat de uitkeringen van appellant over het jaar 2006 worden uitbetaald als was hij 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Als gevolg hiervan zal het terugvorderingsbedrag worden verlaagd, hetgeen appellant per separate beslissing zal worden meegedeeld.

3.1. Tegen het besluit van 7 oktober 2008 heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de door appellant gemaakte kosten in de bezwarenprocedure en die kosten vastgesteld op € 966,-.

3.3. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat er (ook) in het jaar 2006 door appellant is gewerkt, dat hem over dat jaar een winstaandeel van € 18.657,- is toegekend en dat die winst uit onderneming ook bij de belastingaangifte is verantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de in het kader van de fiscale wetgeving door appellant gemaakte keuze.

4. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank over de anticumulatie van zijn inkomsten uit arbeid over het jaar 2006 en de terugvordering van uitkering over dat jaar. Hij stelt, onder meer onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van zijn echtgenote van 27 oktober 2008, dat hij zijn begin 2005 hervatte werkzaamheden halverwege dat jaar heeft gestaakt en dat hij in het jaar 2006 niet heeft gewerkt. De fiscale aangifte over het jaar 2006 is hiermee in overeenstemming nu geen arbeidsvergoeding is toegekend en geen meewerkaftrek en arbeidskorting zijn geclaimd. Het Uwv heeft ten onrechte appellant zelf niet gehoord over de situatie in het jaar 2006 en te veel betekenis gehecht aan de telefonische verklaring van zijn echtgenote.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep zich richt tegen de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking hebben op de anticumulatie van inkomsten uit arbeid over het jaar 2006 en de terugvordering van de over dat jaar te veel betaalde uitkering.

5.2. De Raad stelt voorts met appellant vast dat het Uwv de besluitvorming naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen de terugvordering heeft gesplitst. Bij het besluit van 7 oktober 2008 is onder meer het bezwaar van appellant tegen de terugvordering gegrond verklaard en het (primaire) besluit van 1 juli 2008 herroepen, maar eerst bij besluit van 3 december 2008 is het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 24.394,32. De besluitvorming in bezwaar was dus pas voltooid nadat het besluit van 3 december 2008 was genomen. De Raad is van oordeel dat de besluiten van 7 oktober 2008 en

3 december 2008 tezamen de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2008 vormen.

5.2.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat het Uwv bij het besluit van 7 oktober 2008 niet volledig had beslist op het bezwaar tegen de terugvordering, maar zij heeft hieraan naar het oordeel van de Raad ten onrechte geen gevolgen verbonden. Het Uwv heeft immers gehandeld in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, kan om die reden geen stand houden evenmin als het besluit van

7 oktober 2008, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering en het besluit van 3 december 2008.

5.2.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een terugwijzing naar de rechtbank en zal zelf in de zaak voorzien.

5.3 In zoverre appellant beoogt te stellen dat het Uwv was gehouden hem voorafgaand aan de primaire besluiten te horen, stuit deze beroepsgrond af op het bepaalde in artikel 4:12, eerste lid, van de Awb. Hierbij tekent de Raad nog aan dat appellant geen gebruik maakte van de hem door het Uwv geboden gelegenheid om in de bezwaarprocedure te worden gehoord.

5.4 In zoverre appellant aanvocht dat het Uwv een te grote waarde hecht aan de door zijn echtgenote aan de arbeidskundige Brongers verschafte inlichtingen, overweegt de Raad het volgende. Appellant had, samen met zijn echtgenote, sedert 1997 een eigen, niet kapitaalintensief, bedrijf. Na zijn uitval vanwege psychische klachten in september 2003 heeft hij in januari 2005 voor 10 tot 15 uur per week een deel van zijn vroegere werkzaamheden hervat, namelijk de acquisitie. Over 2005 is hem een aandeel in de winst toegekend. Appellant heeft er geen bezwaar tegen gemaakt dat in verband hiermee over het jaar 2005 een korting op zijn uitkeringen is toegepast. Ook in 2006 is appellant een aandeel in de winst toegekend. Zoals de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 1 oktober 2008 opmerkt lijkt een correlatie te bestaan tussen de omzet van het bedrijf en de inzet van appellant. Het na het intreden van de ziekte van appellant ontstane omzetverlies is in 2005 geringer geworden en de omzet is in 2006 met ongeveer 17% gestegen ten opzichte van die van 2005. Deze feiten en omstandigheden wijzen naar het oordeel van de Raad in de richting van arbeidsinzet van appellant (ook) in 2006. Mede gelet op het feit dat appellant niet eerder dan met het bezwaarschrift tegen de kortingsbesluiten over 2006 heeft gemeld dat hij medio 2005 het werk volledig heeft gestaakt is het aan hem om aannemelijk te maken dat er met ingang van het jaar 2006 sprake is geweest van gewijzigde omstandigheden.

5.4.1. De Raad is van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Dat het winstaandeel van appellant slechts in box 1 van de aangifte inkomstenbelasting verantwoord kon worden doet niet af aan het feit dat het appellant en zijn echtgenote vrij heeft gestaan (tussentijds) tot een andere winstverdeling te komen. Aan de in beroep overgelegde schriftelijke verklaring van de echtgenote van appellant kan de Raad voorts niet de door appellant gewenste betekenis hechten. Het Uwv heeft dan ook terecht toepassing gegeven aan de artikelen 44 van de WAO en 58 van de WAZ.

5.5. Tegen de terugvordering van de teveel betaalde uitkeringen heeft appellant geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv redelijkerwijs van terugvordering had moeten afzien niet is gebleken. De Raad ziet hierin aanleiding te beslissen tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 7 oktober 2008, voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering, zoals deze is afgerond met de brief van 3 december 2008.

6. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering en vernietigt het besluit van 7 oktober 2008 in zoverre alsmede het besluit van 3 december 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 7 oktober 2008 en het besluit van

3 december 2008 in stand blijven;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- ;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL