Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09-5552 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding om van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige af te wijken. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5552 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Spanje (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2009, 05/2927 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij was gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 14 januari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 8 oktober 2010. Voor appellant is verschenen mr. de Roy van Zuydewijn, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf september 1974 in Nederland werkzaam geweest. Op 8 februari 1985 heeft hij zijn werkzaamheden als draadtrekker in verband met longklachten gestaakt, waarna hem bij besluit van 18 augustus 1986 met ingang van

7 februari 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 september 1986 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 september 1986 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In 1987 heeft appellant zich met behoud van deze uitkering in Spanje gevestigd.

1.2. In het kader van de toepassing van de Wet terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft het Uwv appellant in Spanje aan een medisch onderzoek laten onderwerpen. Op basis van de door het Instituto Nacional de Seguridad (hierna: INSS) verstrekte gegevens heeft de verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant ongewijzigd is en dat het belastbaarheidspatroon van 11 maart 1986 nog van kracht is. Na arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 10 augustus 1998 de uitkering van appellant met ingang van 1 februari 1999 herzien naar een mate van arbeidongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 12 november 1999 is het door appellant tegen het besluit van 10 augustus 1998 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, omdat het besluit op verouderde medische gegevens was gebaseerd. Vervolgens heeft het Uwv een nieuw medisch onderzoek door het INSS laten uitvoeren. Uit het door de longarts Bolivas Reverte opgestelde rapport van 6 april 2000 komt naar voren dat bij appellant onder meer sprake is van longemfyseem. Volgens deze arts kan appellant niet knielen, hurken, kruipen, niet gebogen werken en niet tillen. Voorts is de longarts van oordeel dat appellant regelmatig gebruik moet kunnen maken van beschermende middelen en bij uitzondering een hoog werktempo kan aanhouden. Lopen is volgens deze arts licht beperkt. Staan is niet beperkt en appellant kan regelmatig boven schouderhoogte werken. Na ontvangst van de gegevens van de INSS heeft de verzekeringarts een belastbaarheidspatroon opgesteld. Daarbij is de verzekeringsarts ervan uitgegaan dat appellant onveranderd in staat is om in fysiek-energetische zin niet te zwaar werk in een niet-longprikkelende omgeving te verrichten. Knielen, kruipen, hurken en tillen zijn volgens de verzekeringsarts weliswaar beperkt vanwege de beperkte energetische belastbaarheid van appellant, maar het is volgens de verzekeringsarts niet aannemelijk dat appellant daartoe helemaal niet in staat is. Dit geldt naar zijn mening ook voor het aspect buigen, dat beperkt is omdat dit een negatief effect kan hebben op de ademhalingsvrijheid. Volgens de verzekeringsarts is echter niet aannemelijk dat appellante in het geheel niet kan buigen. Anders dan de INSS-arts heeft de verzekeringsarts wel een lichte beperking ten aanzien van staan aangenomen. Na arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2000 appellant ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt geacht. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts het belastbaarheidspatroon op 24 augustus 2001 aangepast ten aanzien van lopen, traplopen, klimmen en klauteren, knielen, kruipen en hurken. Bij besluit van

23 oktober 2001 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 november 2000 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 23 oktober 2001 ingestelde beroep bij uitspraak van 8 augustus 2002 (01/4318) ongegrond verklaard.

1.4. In hoger beroep tegen deze uitspraak heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat het evident is dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd. De verzekeringsarts is ten onrechte afgeweken van de nader door de INSS-arts vastgestelde beperkingen, in het bijzonder op de onderdelen tillen, dragen, kruipen, hurken en gebogen werken. In verband met het longemfyseem van appellant zijn de door de INSS-arts vastgestelde beperkingen gerechtvaardigd. Voorts is door appellant naar voren gebracht dat in verband met te verwachten langdurig en veelvuldig ziekteverzuim van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij appellant in dienst zal nemen. Verder is appellant van oordeel dat de hem voorgehouden functies niet in overeenstemming zijn met de voor hem vastgestelde beperkingen. Ten slotte zijn de functies volgens appellant niet geschikt, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.

1.5. De Raad heeft bij uitspraak van 10 december 2004, LJN AR7747, de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2002 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2001 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft overwogen dat appellant conform artikel 51, eerste lid, van EG-Verordening 574/72 op verzoek van het Uwv in Spanje is onderzocht en dat de INSS-arts op basis van de resultaten van dit onderzoek de belastbaarheid van appellant heeft vastgesteld. Het Uwv kan in het geval van twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van een verzekerde door het buitenlandse orgaan aanvullend onderzoek (laten) verrichten. Echter, indien het Uwv aanleiding ziet van het door het buitenlandse orgaan vastgestelde belastbaarheidspatroon af te wijken, dan dient het Uwv dit naar het oordeel van de Raad deugdelijk te motiveren. De Raad is van oordeel dat het Uwv hieraan in het onderhavige geval niet heeft voldaan. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft het door de INSS-arts vastgestelde belastbaarheidspatroon (fors) aangepast zonder appellant zelf te onderzoeken en heeft hij de aanpassingen evenmin gebaseerd op – bijvoorbeeld – nadere medische gegevens van de behandelende sector. Mede in verband met het bij appellant geconstateerde longemfyseem, kan naar het oordeel van de Raad niet worden uitgesloten dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat. Nu het hoger beroep van appellant reeds op grond van het vorenstaande slaagt en het besluit van 23 oktober 2001 en de uitspraak van de rechtbank, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen, is de Raad niet meer toegekomen aan de behandeling van de overige door appellant ingediende gronden. In deze uitspraak is berust.

2.1. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts aan longarts K.R. Liesker verzocht appellant te onderzoeken. Uit het door Liesker over dit onderzoek opgestelde rapport van 17 november 2005 komt naar voren dat sprake is van een lichte flow obstructie met mogelijk kleine luchtwegpathologie. Op de door Liesker gereviseerde - in Spanje vervaardigde en door appellant meegebrachte - thoraxröntgenfoto zijn geen afwijkingen te zien, met name geen aanwijzingen voor longemfyseem. Mogelijk is sprake van astma bronchiale.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts ziet in het rapport van Liesker noch in de door appellant nader ingediende medische stukken aanleiding om de eerder op 24 augustus 2001 vastgestelde belastbaarheid van appellant te wijzigen, zo concludeert hij in zijn rapporten van 6 december 2005 en 22 juni 2006.

2.3. Bij besluit van 28 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van

23 oktober 2001 (opnieuw) ongegrond verklaard.

3.1. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft hij een medisch rapport ingediend, dat volgens de bezwaarverzekeringsarts geen ander licht op de zaak werpt.

3.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien de longarts A.H.M. van der Heijden als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de medische grondslag van het bestreden besluit juist. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het oordeel van haar deskundige niet te volgen. Overwogen is dat Van der Heijden in zijn - zorgvuldig tot stand gekomen en volledig - rapport van 10 mei 2007 heeft geconcludeerd dat de longfunctie van appellant op

10 november 2000 normaal is geweest. Dit betekent dat appellant vrijwel normaal moet kunnen functioneren, rekening houdend met een mogelijke conditionele beperking, maar ook met het al of niet worden blootgesteld aan prikkels zoals mist, rook en temperatuurwisselingen, waar volgens de deskundige rekening is gehouden bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant. De deskundige heeft zich dan ook kunnen verenigen met het door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon van 24 augustus 2001.

3.4. De rechtbank heeft evenmin aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet voor appellant geschikt kunnen worden geacht.

3.4.1. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat door de bezwaararbeidsdeskundige - naar aanleiding van de door de deskundige in zijn rapport van 10 mei 2007 verwoorde twijfel over de geschiktheid van de functies in medisch opzicht - in een rapport van 17 juli 2007 gemotiveerd is aangegeven dat bij geen van de geduide functies sprake is van een abnormale belasting ten aanzien van de aspecten stof, rook, gas en/of damp. Daarbij is door hem vermeld dat het binnen het FIS gebruikelijk was om bij alle functies op aspect 17 te noteren “Geringe concentraties stof, rook, gas en damp”, omdat vrijwel geen enkele werkplek wordt gekenmerkt door een volledig schoon milieu. Bij bezwarende omstandigheden vond wel signalering plaats.

3.4.2. In reactie op het rapport van de bezwaarbeidsdeskundige van 17 juli 2007 heeft de deskundige in zijn aanvullend rapport van 20 september 2007 aangegeven dat – uitgaande van de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige dat er sprake is van een normale situatie en er geen overmatige blootstelling is aan concentraties stof, rook, gas en damp – appellant geschikt moet worden geacht om de geduide functies te vervullen.

3.4.3. In een nader rapport van 30 mei 2008 heeft de bezwaarbeidsdeskundige toegelicht dat “schone” functies aangetroffen worden bij kantoren en laboratoria. Dat is er een groep functies waarbij het aanwezig zijn van stof, rook, gas of damp inherent is aan de functie (garagebedrijven, drukkerijen enz.). Wanneer uit de aard van de functie duidelijk blijkt op welke atmosferische verontreinigingen de score betrekking heeft, dan wordt geen nadere toelichting gegeven (zoals bij automonteur en drukpersbediener). Wanneer naast normaal voorkomende verontreinigingen er ook sprake is van speciale verontreinigingen, dan wordt dit specifiek in de toelichting vermeld. Bij geen van de geduide functies is dit het geval.

3.4.4. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarbeidsdeskundige in de genoemde rapporten van 17 juli 2007 en

30 mei 2008 afdoende heeft gemotiveerd waarom in de geduide functies geen sprake is van meer dan geringe concentraties stof, rook, gas en damp, waarmee is voldaan aan de voorwaarde van de deskundig aan de geschiktheid van deze functies.

3.4.5. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de overige arbeidskundige gronden van appellant met betrekking tot het opleidingsniveau en de beheersing van de Nederlandse taal niet slagen, waarna de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de longartsen Liesker en Van der Heijden de longproblematiek van appellant hebben onderschat. Bovendien is door het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden met het te verwachten ziekteverzuim van appellant. Ten slotte acht appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend wegens de daarin voorkomende concentraties stof, rook, gas en damp, temperatuurwisselingen en vochtigheid.

4.2. Het Uwv heeft – onder overlegging van een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2010 – verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep slechts aan de orde is de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit en overweegt daarover het volgende.

5.1. De Raad komt wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Ook de Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval zou moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige in beginsel volgt. Daartoe overweegt de Raad dat het door de deskundige aan de hand van de zich reeds in het dossier bevindende gegevens volledig en zorgvuldig is geweest. Tevens is de Raad van oordeel dat de deskundige in zijn rapport van 10 mei 2007 tot een afgewogen en inzichtelijk gemotiveerd oordeel van de belastbaarheid van appellant is gekomen. In hoger beroep is geen medische informatie overgelegd die aan de juistheid van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum (10 november 2000) doet twijfelen.

5.2. Met betrekking tot de grond van appellant dat door het Uwv geen rekening is gehouden met het te verwachten ziekteverzuim, overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 29 september 2004 en

14 januari 2010 heeft aangegeven dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat er sprake is van onevenredig hoog ziekteverzuim. De Raad ziet in de niet met medische gegevens onderbouwde stelling van appellant dat dat anders is, geen aanleiding aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen, zodat deze grond niet slaagt.

5.3. Voorts is de Raad van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de belastbaarheid van de voor appellant in aanmerking genomen medische beperkingen en gelet op de rapporten van de bezwaarbeidsdeskundige van 17 juli 2007, 21 december 2007 en 30 mei 2008 in verbinding met de rapporten van de deskundige Van der Heijden van 10 mei 2007 en 20 september 2007, de bij de schatting gebruikte functies (te weten: samensteller van metaalproducten, assembleerder auto-onderdelen en metaalperser-bediende), in medisch opzicht passend voor appellant moeten worden geacht.

5.4. Uit de overwegingen 5 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.L. de Gier.

GdJ