Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
10-1923 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Niet is gebleken dat de verzekeringsgeneeskundige rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand waren gekomen, niet concludent, dan wel inhoudelijk onjuist zijn. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding ten laste van het Uwv in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerst lid, van het EVRM. De Raad wijst dit verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1923 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 26 februari 2010, 08/1159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van 13 juli 2010 van bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan. Voorts heeft het Uwv de onderliggende stukken en het besluit van 23 juni 2010 overgelegd.

Bij brief van 27 september 2010 zijn namens appellant aanvullende gronden ingediend en medische stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde

mr. Van den Ekart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als uitzendkracht samensteller. Voor deze werkzaamheden is hij op 27 november 1995 uitgevallen wegens psychische klachten. Aan appellant zijn met ingang van 18 november 1996 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 17 april 2007 onderzocht door verzekeringsarts A.L. Mathoera. In een rapport van dezelfde datum heeft Mathoera de spraakklachten, gehoorklachten, huisstofmijtallergie en psychische klachten beschreven. Op basis van de bevindingen van het psychisch onderzoek en gelet op de beschreven klachten concludeerde Mathoera dat sprake is van psychische, auditieve en verbale beperkingen. Op basis hiervan stelde Mathoera een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 6,28%. Dienovereenkomstig trok het Uwv bij besluit van 15 mei 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 juli 2007 in.

3.1. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 mei 2007 vroeg bezwaarverzekeringsarts Kleinjan informatie op bij de behandelende psychiater R.M. van der Schaar. Uit diens brief van 11 december 2007 kwam naar voren dat appellant een kwetsbare man is met een persoonlijkheidsstoornis. Naar aanleiding van deze brief achtte Kleinjan in een rapport van 21 augustus 2008 appellant tevens beperkt op het aspect eigen gevoelens uiten, beperkt op het aspect concentreren van de aandacht, boven de norm en sterk beperkt op het aspect omgaan met conflicten. Voorts dienden beperkingen aangenomen te worden in verband met huisstofmijtallergie. Kleinjan paste de FML op deze aspecten aan.

3.2. Bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn beoordeelde opnieuw op basis van de aangepaste FML de passendheid van de geduide functies. In zijn rapport van 25 augustus 2008 heeft hij vastgesteld dat een functie diende te vervallen en heeft hij de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker metaal (sbc-code 111171), bezorger kranten, tijdschriften (sbc-code 111230) en wikkelaar (sbc-code 267050). Stoffijn lichtte de signaleringen toe en berekende het verlies aan verdienvermogen op 2,52%. Hierna verklaarde het Uwv het door appellant tegen het besluit van 15 mei 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 26 augustus 2008 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overwoog de rechtbank - kort gezegd - dat niet gebleken is dat de verzekeringsgeneeskundige rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand waren gekomen, niet concludent, dan wel inhoudelijk onjuist zijn. De in beroep overgelegde medische informatie bood geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank oordeelde dat het Uwv terecht de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts tot uitgangspunt heeft genomen.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag zag de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de arbeidskundige rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand waren gekomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, zag de rechtbank geen grond gelegen om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel dat geschikt geachte functies binnen appellants mogelijkheden liggen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft gemotiveerd aangegeven waarom van overschrijdingen van de in de FML aangegeven belastbaarheid geen sprake was.

5. In hoger beroep heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de door hem ingebrachte medische informatie en met zijn beperkingen die voortvloeien uit de bij hem geconstateerde ziekten en gebreken. Voorts is appellant van mening dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Tevens is de functie van bezorger van kranten ongeschikt voor appellant omdat hij geen chauffeurswerk mag verrichten vanwege zijn medicatie. Tot slot is naar de mening van appellant sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en is het Uwv als gevolg daarvan jegens haar schadeplichtig.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. In het hoger beroep van appellant heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft met de spraakklachten, gehoorklachten en de psychische klachten rekening gehouden bij het opstellen van de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van haar eigen onderzoeksbevindingen en de opgevraagde medische informatie aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid te herzien. De Raad is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts met de klachten van appellant en de in de bezwaarprocedure ter beschikking gekomen medische informatie op onjuiste wijze rekening heeft gehouden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar een volledige medische heroverweging dient te verrichten die gericht dient te zijn op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Dit brengt mee dat de na de datum in geding ontstane verergering van de psychische klachten van appellant door het overlijden van zijn vader, die heeft geleid tot toekenning met ingang van 22 januari 2008 van een volledige WAO-uitkering, niet in de beoordeling betrokken kunnen worden. Tevens ziet de Raad in de thans voorliggende medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten voor een urenbeperking. Bezwaarverzekeringsarts Kleinjan heeft in haar rapportages van 21 augustus 2008 en 27 oktober 2009 voldoende overtuigend gemotiveerd waarom er geen sprake is van een volledige arbeidsongeschiktheid om medische redenen en er dan ook geen urenbeperking aangenomen dient te worden. De Raad voegt hieraan toe dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom er sprake dient te zijn van een urenbeperking.

6.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde en in overweging 3.2 vermelde functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. In dit verband merkt de Raad op dat in de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn van 25 augustus 2008, gelezen in samenhang met de rapportage van arbeidsdeskundige R.P. Schram van 14 mei 2007, de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. Met betrekking tot de hoger beroepsgrond van appellant dat de functie van bezorger kranten niet geschikt is voor hem vanwege zijn medicatie verwijst de Raad naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Kleinjan van 13 juli 2010. In deze rapportage is aangegeven dat de medicatie van appellant weinig tot geen invloed heeft op de rijvaardigheid. De Raad is dan ook van oordeel dat de functie bezorger kranten terecht ten grondslag is gelegd aan de onderhavige schatting.

6.4. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding ten laste van het Uwv in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerst lid, van het EVRM. De Raad wijst dit verzoek af. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 26 juni 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn, zoals ook ter zitting is besproken, nog geen vier jaren verstreken. Gelet op deze totale behandelingsduur kan naar het oordeel van de Raad derhalve reeds niet worden gezegd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

6.5. De overwegingen 6.2 tot en met 6.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

JL