Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
09-6486 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad heeft, doende wat de rechtbank had behoren te doen, appellants brief van 9 juni 2009 op 31 maart 2010 aan de deskundige doen toekomen. Uit de reactie van de deskundige van 29 april 2010, waarin naar het oordeel van de Raad beargumenteerd is ingegaan op even vermelde brief en op de door de Raad zelf aan de deskundige op 31 maart 2010 voorgelegde vragen, blijkt dat de FML van 21 april 2009 niet strijdig is met de medische beoordeling in de rapporten van de deskundige van 31 maart 2009 en 29 april 2009. De Raad is van oordeel dat hiermee voldoende is tegemoetgekomen aan de grond van appellant.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6486 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2009, 07/2446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft psychiater C.J.F. Kemperman, door de rechtbank benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 24 maart 2007, naar aanleiding van het schriftelijke verslag van het onderzoek, gedateerd 31 maart 2009, om een nadere reactie gevraagd. Op de reactie van de deskundige is vervolgens door partijen gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 20 augustus 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was weer werkzaam als schoonmaker toen hij zich op 13 april 2000 toegenomen arbeidsongeschikt meldde als gevolg van fysieke en psychische klachten. Met ingang van 11 mei 2000 is aan appellant een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het Uwv deze uitkering van appellant met ingang van 24 maart 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Namens appellant heeft mr. Vetter, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).

1.4. In verband met het beroep van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2007 heeft de in rubriek I van deze uitspraak vermelde deskundige in zijn rapport van 31 maart 2009 uiteengezet - kort samengevat - het deels eens te zijn met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.

1.5. De deskundigenrapportage heeft het Uwv aanleiding gegeven de belastbaarheid aan te passen en te komen tot een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) van 21 april 2009 en een nieuwe arbeidskundige beoordeling. De arbeidsongeschiktheidsklasse blijft onveranderd minder dan 15%, aldus het Uwv.

1.6. Appellant heeft de rechtbank bij brief van 9 juni 2009 bericht dat het rapport van de deskundige vragen oproept en de rechtbank verzocht zijn vragen voor te leggen aan de deskundige. De rechtbank heeft bij brief van 16 juni 2009 laten weten geen aanleiding te zien de door appellant geformuleerde vragen aan de deskundige voor te leggen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2007 gegrond verklaard omdat het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag. De rechtbank heeft geen reden gezien te oordelen dat appellant minder belastbaar is dan in de in verband met het rapport van de deskundige nader aangepaste FML van 21 april 2009 is aangenomen of te oordelen dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant vergoedt.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak, voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Hij verzoekt om hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd - hetgeen er op neerkwam dat appellant zich volledig arbeidsongeschikt achtte dan wel in elk geval meer beperkt dan het Uwv aannam - als herhaald en ingelast te beschouwen in hoger beroep. Hij is voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte zijn vragen niet heeft voorgelegd aan de deskundige.

De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat betreft de medische beoordeling en appellants grond dat zijn vragen hadden moeten worden voorgelegd aan de deskundige stelt de Raad voorop dat in zijn vaste rechtspraak besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel volgt. Er kunnen feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij weegt mee of de deskundige, door beargumenteerd in te gaan op een reactie van partijen op zijn rapportage, er voldoende blijk van heeft gegeven zijn oordeel serieus te hebben heroverwogen.

4.2. De Raad heeft, doende wat de rechtbank had behoren te doen, appellants brief van 9 juni 2009 op 31 maart 2010 aan de deskundige doen toekomen. Uit de reactie van de deskundige van 29 april 2010, waarin naar het oordeel van de Raad beargumenteerd is ingegaan op even vermelde brief en op de door de Raad zelf aan de deskundige op 31 maart 2010 voorgelegde vragen, blijkt dat de FML van 21 april 2009 niet strijdig is met de medische beoordeling in de rapporten van de deskundige van 31 maart 2009 en 29 april 2009. De Raad is van oordeel dat hiermee voldoende is tegemoetgekomen aan de grond van appellant.

4.3. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

4.4. Gezien de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak voor zover deze is aangevochten te bevestigen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

NW