Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
10-995 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad oordeelt dat de in de aangevallen uitspraak vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 1 januari 2006 de rechterlijke toets niet kan doorstaan. De Raad stelt vast dat het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene per 1 januari 2004 heeft ingetrokken op grond van artikel 36a van de WAO. In dat artikel is onder meer bepaald, dat het Uwv een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering herziet of intrekt indien niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat vanwege het niet behoorlijk nakomen van de verplichting genoemd in artikel 80 van de WAO. Tegen het besluit tot de intrekking van de WAO-uitkering per 1 januari 2004 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. In de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Strct. 2006, 230 (verder: de Beleidsregels) heeft het Uwv onder meer vastgelegd wat te doen indien een belanghebbende alsnog aan de inlichtingenverplichting van artikel 80 van de WAO voldoet. Artikel 6 van de Beleidsregels houdt in dat indien na het verstrijken van de bezwaartermijn alsnog aan de verplichting wordt voldaan, wordt teruggekomen van het intrekkingsbesluit voor zover dit betrekking heeft op een periode waarover het recht alsnog kan worden vastgesteld en voor zover die periode is gelegen na het alsnog voldoen aan de verplichting. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals naar voren komt uit onder meer de uitspraak van 3 maart 2010, LJN BL6668, gaat het bij dit beleid - bij gebreke van een regeling in de WAO voor heropening van een uitkering in een situatie als de onderhavige - om buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat door de bestuursrechter terughoudend moet worden getoetst, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad is van oordeel dat daarvan in onderhavige situatie sprake is geweest. De Raad overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de herhaaldelijk opgevraagde gegevens reeds vóór 3 april 2007 zijn overgelegd. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank een onjuist wettelijk kader aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2006 ten grondslag liggend heeft geacht en dat een wettelijke of buitenwettelijke basis om de WAO-uitkering op enig moment vóór 3 april 2007 te hervatten ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/995 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2010, 08/3127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.J. Dappers, advocaat te Ravenstein, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

V.A.R. Kali. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Dappers.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene, voorheen werkzaam geweest als steenhouwer, heeft met ingang van 3 mei 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een aantal tussentijdse wijzigingen is de uitkering per 1 april 2002 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Vervolgens heeft betrokkene tezamen met zijn echtgenote een VOF opgericht en werkzaamheden als zelfstandige verricht. Nadat het Uwv diverse malen vergeefs om overlegging van de jaarstukken over het jaar 2004 heeft verzocht, heeft het Uwv bij besluit van 20 januari 2006 de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 3 april 2007 heeft betrokkene alsnog de jaarstukken over 2004 overgelegd. Verzekeringsarts W. Blok heeft op 7 november 2007 een medisch onderzoek verricht. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige I. Schwoerer het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en een aantal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan betrokkene in staat is geacht. Voorts heeft hij de jaarstukken over 2004 bij de beoordeling betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid stelde hij vast op 25 tot 35%. Bij besluit van

5 december 2007 is betrokkene dienovereenkomstig met ingang van 3 april 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering naar de klasse 25 tot 35%.

2. In bezwaar heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de ingangsdatum van de WAO-uitkering op 1 april 2004 gesteld zou moeten worden. Voorts is aangevoerd dat betrokkene vanwege een Q-koorts infectie volledig arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 29 juli 2008 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat het te laat inzenden van de jaarstukken over het jaar 2004 hem niet verweten kan worden vanwege de klachten die hij door de Q-koorts infectie heeft ondervonden.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De rechtbank kwalificeerde de hervatting van de WAO-uitkering als een besluit om een blijvende gehele weigering van de uitkering om te zetten in een tijdelijk gehele weigering in de zin van artikel 25, eerste lid, in verbinding met artikel 28, aanhef en onder d, van de WAO. Ingevolge artikel 29, eerste lid, eerste volzin, van de WAO dient een dergelijke maatregel te worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin die gedraging de belanghebbende kan worden verweten. Aangezien een dergelijke afstemming niet heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.

4.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien. Zij heeft het besluit van 5 december 2007 herroepen en bepaald dat de WAO-uitkering per 1 januari 2006 hervat dient te worden naar het voorheen geldende arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45. De rechtbank zag geen reden de uitkering per een eerdere datum in te laten gaan, gezien de uitgebreide voorlichting die het Uwv over het inleveren van de jaarstukken heeft gegeven.

4.3. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 april 2007 juist heeft vastgesteld op 25 tot 35%. De rechtbank volgt de medische en arbeidskundige beoordeling van het Uwv per die datum.

5. In hoger beroep heeft het Uwv naar voren gebracht dat los van de vraag of terecht toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank is uitgegaan van een onjuist wettelijk kader. Gesteld is dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid, dat door de rechter terughoudend getoetst moet worden. Uitdrukkelijk is aangegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen de beoordeling betreffende de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 april 2007.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de in de aangevallen uitspraak vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 1 januari 2006 de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

6.3. De Raad stelt vast dat het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene per 1 januari 2004 heeft ingetrokken op grond van artikel 36a van de WAO. In dat artikel is onder meer bepaald, dat het Uwv een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering herziet of intrekt indien niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat vanwege het niet behoorlijk nakomen van de verplichting genoemd in artikel 80 van de WAO. Tegen het besluit tot de intrekking van de WAO-uitkering per 1 januari 2004 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

6.4. In de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Strct. 2006, 230 (verder: de Beleidsregels) heeft het Uwv onder meer vastgelegd wat te doen indien een belanghebbende alsnog aan de inlichtingenverplichting van artikel 80 van de WAO voldoet. Artikel 6 van de Beleidsregels houdt in dat indien na het verstrijken van de bezwaartermijn alsnog aan de verplichting wordt voldaan, wordt teruggekomen van het intrekkingsbesluit voor zover dit betrekking heeft op een periode waarover het recht alsnog kan worden vastgesteld en voor zover die periode is gelegen na het alsnog voldoen aan de verplichting. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals naar voren komt uit onder meer de uitspraak van 3 maart 2010, LJN BL6668, gaat het bij dit beleid - bij gebreke van een regeling in de WAO voor heropening van een uitkering in een situatie als de onderhavige - om buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat door de bestuursrechter terughoudend moet worden getoetst, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad is van oordeel dat daarvan in onderhavige situatie sprake is geweest. De Raad overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de herhaaldelijk opgevraagde gegevens reeds vóór 3 april 2007 zijn overgelegd. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank een onjuist wettelijk kader aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2006 ten grondslag liggend heeft geacht en dat een wettelijke of buitenwettelijke basis om de WAO-uitkering op enig moment vóór 3 april 2007 te hervatten ontbreekt.

6.5. Uit overweging 6.4 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bestreden besluit kan de in overweging 6.4 aangegeven rechterlijke toets doorstaan, zodat het beroep daartegen ongegrond moet worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en R.C. Stam en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW