Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-6927 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering is terecht. Dubbel hoger beroep. Maatmaninkomen. Jurisprudentie met betrekking tot de zogenoemde “niet gerealiseerde toekomstverwachting”, is ontwikkeld voor gevallen waarin betrokkene werknemer is. In de situatie van appellante is daarvan geen sprake omdat zij zelfstandig ondernemer is, met het daarbij behorende ondernemersrisico. Het uitgangspunt voor de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige is de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geen reden hiervan af te wijken. Gelet op haar positie als zelfstandige is geen grond aanwezig de bedrijfsinvesteringen in 1997 en 1998 buiten beschouwing te laten.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/373
RSV 2011/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6927 WAZ en 09/6949 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 november 2009, 09/1062 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld en bij brief van 27 januari 2010 een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J. Oosterveld van 28 december 2009 overgelegd.

Namens appellante heeft M. Oosterveer, werkzaam bij Adviesbureau Modest te Westzaan, hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 september 2010 heeft appellante de Raad nadere informatie doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010 waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Oosterveer. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en voegt daar nog het volgende aan toe.

1.2. Appellante is op 27 september 1999 uitgevallen voor haar werk als zelfstandig fysiotherapeut en per 25 september 2000 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Met ingang van 14 januari 2002 is deze uitkering verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Onder toepassing van artikel 58 van de WAZ werd deze uitkering evenwel niet uitbetaald.

1.3. Bij besluit van 24 september 2008 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken. Het daartegen gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en is het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. Tevens zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de betaling van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen in geschil is of het Uwv terecht voor de bepaling van de hoogte van het maatmanloon (lees: maatmaninkomen) is uitgegaan van het gemiddelde van de (geïndexeerde) winst over de jaren 1996 tot en met 1998. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad (LJN ZB8555 en BH7073) heeft de rechtbank de stelling van appellante dat ten onrechte op basis van de fiscale winst over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, in dit geval 1996, 1997 en 1998, het maatmaninkomen is bepaald, verworpen. Wat betreft de stelling van appellante dat door de investeringen die zij in 1997 en 1998 in haar bedrijf heeft gedaan de winst vanaf 1998 zou toenemen en dat bij de berekening van het maatmaninkomen van deze reële winstverwachting, die zij enkel door haar ingetreden arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen realiseren, dient te worden uitgegaan, heeft zij gewezen op de uitspraak van de Raad van 28 januari 2005, LJN AS6426. Appellante heeft aangevoerd dat het in dat kader door haar genoemde “leerstuk van de zogeheten niet gerealiseerde toekomstverwachting” ertoe had moeten leiden dat het Uwv bij zijn besluitvorming daarmee rekening had moeten houden. De rechtbank heeft zich daarbij in de aangevallen uitspraak aangesloten in die zin dat het Uwv naar het oordeel van de rechtbank had dienen uit te zoeken of de stijging van de omzet in de jaren na het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft geleid tot een toename van de winst. Indien dat zou komen vast te staan dan moet met deze toename van de winst rekening worden gehouden aangezien dan als vaststaand moet worden aangenomen dat appellante de ten tijde van haar ingetreden arbeidsongeschiktheid bestaande toekomstverwachting omtrent de stijging van haar bedrijfswinst heeft gerealiseerd. Bij de aangevallen uitspraak is gelet op het vorenstaande het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 2 van de WAZ en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij in beroep had aangevoerd, gesteld dat haar maatmaninkomen anders dan de rechtbank heeft overwogen dient te worden berekend op basis van haar stabiele, reguliere inkomen, dat wil zeggen zonder rekening te houden met de (eenmalige) investeringen die zij heeft gedaan in haar bedrijf in 1997 en 1998. Voorts heeft zij, indien wel rekening wordt gehouden met de gepleegde investeringen, aangevoerd dat bij het bepalen van haar maatmaninkomen dient te worden meegenomen de toekomstverwachting, zowel met betrekking tot de eerst dan te verkrijgen inkomsten uit de fitness als het verhoogde inkomen uit de fysiotherapie-praktijk.

4.1. De Raad stelt allereerst met het Uwv vast dat de door appellante genoemde en in de aangevallen uitspraak van belang geachte jurisprudentie met betrekking tot de zogenoemde “niet gerealiseerde toekomstverwachting”, is ontwikkeld voor gevallen waarin betrokkene werknemer is. In de situatie van appellante is daarvan geen sprake omdat zij zelfstandig ondernemer is, met het daarbij behorende ondernemersrisico. In de aangevallen uitspraak is dan ook het bestreden besluit ten onrechte, met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 januari 2005 LJN AS6426, vernietigd. Het hoger beroep van het Uwv slaagt mitsdien.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding de overwegingen uit de aangevallen uitspraak rechtens voor onjuist te houden waar het betreft de vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot het uitgangspunt dat voor de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De Raad onderschrijft het desbetreffende oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank. De door appellante verstrekte gegevens leiden de Raad niet tot de conclusie dat de fiscale opgave en vaststelling van de winst in dit geval niet representatief mogen worden geacht voor haar maatmaninkomen. Gelet op haar positie als zelfstandige acht de Raad onder de geven omstandigheden geen grond aanwezig in afwijking van zijn vaste jurisprudentie de bedrijfsinvesteringen in 1997 en 1998 buiten beschouwing te laten. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, ziet de Raad evenmin aanleiding voor het oordeel dat een langere periode dan drie jaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking had moeten worden genomen voor het bepalen van het maatmaninkomen.

4.3. De Raad is gelet op het overwogene bij 4.1 tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op juiste gronden is genomen en niet voor vernietiging in aanmerking komt. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. Met het Uwv is de Raad dan ook van oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2006 terecht en op goede gronden is bepaald op minder dan 25%. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Awb over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

GdJ