Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
10-1586 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAZ-uitkering. Voldoende rekening gehouden met beperkingen. Waar de relevante functies communicatie vereisen, er steeds sprake is van één op één contact. De stelling van appellant dat het onverantwoord is een vrijwel dove persoon als hij met voertuigen aan het verkeer te laten deelnemen, kan gelet op de voorhanden zijnde informatie niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. Bovendien rijdt appellant nog auto en beschikt hij over een geldig rijbewijs beschikt. Appellant is geschikt te achten voor de resterende, voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1586 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 februari 2010, 07/1756 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010 waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde Van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en voegt daar nog het volgende aan toe.

1.2. Aan appellant is, naar aanleiding van zijn tegen een besluit van 26 november 2004 ingediend bezwaar, bij besluit van 5 januari 2006 alsnog per 31 augustus 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Nadat de rechtbank het daartegen gerichte beroep bij uitspraak van 11 mei 2007 gegrond had verklaard en het besluit van 5 januari 2006 vernietigd, heeft het Uwv opnieuw beslist op het bezwaar van appellant bij besluit van 4 september 2007 (hierna: bestreden besluit) en de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding wederom bepaald op 35 tot 45%. Aan het bestreden besluit zijn ten grondslag gelegd het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 23 mei 2007 en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke van 9 augustus 2007.

2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en is - naast bepalingen over griffierecht en proceskosten - bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat er op grond van de op dat moment ter beschikking staande informatie geen aanleiding bestaat het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 31 augustus 2004 voldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank betrokken de rapporten van de door haar geraadpleegde deskundige, de revalidatie-arts dr. C.H. Emmelot, gedateerd 25 november 2008 en 9 februari 2009 en geconcludeerd dat met de door de deskundige geconstateerde beperkingen reeds rekening is gehouden in de FML van 14 december 2005. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft haar reactie op de rapporten van de deskundige naar voren gebracht in de rapporten van 6 januari 2009 en 18 februari 2009. Eerder had de bezwaarverzekeringsarts Bakker bij rapport van 27 mei 2008 haar standpunt toegelicht. Desgevraagd heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk in zijn rapporten van 10 juni 2008 en 23 maart 2009 aan de rechtbank nader toegelicht waarom de eerder geselecteerde functies per datum in geding geschikt zijn te achten voor appellant. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het Uwv, gelet op de gegeven nadere toelichting, op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant per 31 augustus 2004 geschikt was de hem voorgehouden functies te verrichten - met uitzondering van de functie bezorger kranten, tijdschriften, wasgoed (Sbc-code 11123) - en dat derhalve de mate van arbeidsongeschiktheid 35 tot 45% bedraagt per die datum. De rechtbank is tevens tot het oordeel gekomen dat de overige gronden van appellant tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in beroep had aangevoerd, gesteld dat het Uwv bij het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten aan de arm/schouder en met name zijn gehoorklachten en dat derhalve de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar de mening van appellant is hij gezien zijn beperkingen niet in staat arbeid te verrichten. Er is volgens appellant sprake van overschrijding van zijn belastbaarheid in de resterende, voor hem geschikt geachte functies, zodat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Naar de mening van appellant dienen op grond van de bevindingen van de deskundige Emmelot verdergaande beperkingen te worden aangenomen dan gedaan in de FML van 10 juni 2008. Zijn bezwaar tegen de functie inpakker (Sbc-code 111190), vanwege het aspect tillen, heeft appellant laten vervallen.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd beperkt zich tot gronden over de medische aspecten en geeft de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, rechtens voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in grote lijnen over. Appellant heeft geen medische gegevens verstrekt die tot de conclusie moeten leiden dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zoals die is uitgedraaid op 10 juni 2008, in relatie bezien tot de datum in geding, onjuist is. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is gesteld, geeft de Raad geen aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank op dit punt. In de FML - zowel van 14 december 2005 als van 10 juni 2008 - is bij item 2.2.1 (gehoor) vermeld dat dit beperkt is: “ten gevolge van slechthorendheid beperkt in de communicatie, bij aanwezigheid van omgevingsgeluid (stemmen, machines) en de telefoonbediening (uitsluitend in een stille ruimte mogelijk)”. Uitgaande van het geheel aan beschikbare informatie valt niet in te zien dat appellant per datum in geding de geselecteerde, resterende functies met zijn gehoorbeperking niet zou kunnen uitoefenen. De Raad is van oordeel dat de desbetreffende uiteenzettingen van de zijde van het Uwv thans deugdelijk zijn gemotiveerd. De door de rechtbank geraadpleegde revalidatie-arts Emmelot heeft geen specifieke deskundigheid op het gebied van gehoorproblemen. Informatie van de appellant behandelend KNO-arts, hoewel gevraagd, heeft de revalidatie-arts niet ontvangen. Aan de opmerkingen van Emmelot over het gehoorprobleem van appellant kan dan ook niet de conclusie worden verbonden dat de FML van 10 juni 2008 onjuist is. Vastgesteld moet voorts worden dat appellant geen concrete informatie van een KNO-arts heeft overgelegd die zijn standpunt ondersteunen. Het Uwv heeft voorts betoogd dat, daar waar de relevante functies communicatie vereisen, er steeds sprake is van één op één contact. Ter zitting heeft het Uwv nog opgemerkt dat in de relevante functies het communicatie-aspect na verloop van tijd van minder belang wordt omdat er sprake is van een opbouw van routine zodat minder contacten nodig zijn, terwijl de vereiste contacten zonodig ook schriftelijk kunnen verlopen. Bovendien is appellant destijds in staat geweest zijn klachten tegenover het Uwv zelf toe te lichten, hetgeen de conclusie onderstreept dat hij kan communiceren. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellant per 31 augustus 2004 ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. De stelling van appellant dat het onverantwoord is een vrijwel dove persoon als hij met voertuigen aan het verkeer te laten deelnemen, kan gelet op de voorhanden zijnde informatie niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. In dit verband merkt de Raad op dat appellant, zoals uit de gedingstukken blijkt, nog autorijdt en ter zitting desgevraagd heeft verklaard ook thans nog over een geldig rijbewijs beschikt.

4.2. De Raad is gelet op het overwogene bij 4.1 tot het oordeel gekomen dat appellant geschikt is te achten voor de resterende, hem voorgehouden functies. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. In voldoende mate en op een juiste wijze is thans rekening gehouden met alle hier van belang zijnde klachten van appellant. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv afdoende op alle door appellant opgeworpen punten gereageerd.

4.3. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 augustus 2004 heeft bepaald op 35 tot 45%. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt om die reden voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november er 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

GdJ