Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09/696 WWB + 09/854 WWB + 10/2988 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering is terecht. Schending inlichtingenverplichting. Feitelijke hoofdverblijf. Afwijzing nieuwe aanvraag om bijstand is terecht. Rechtbank heeft ten onrechte over deel van de beoordelingsperiode geen oordeel gegeven. Geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/696 WWB

09/854 WWB

10/2988 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008, 08/2043 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en het College hebben beiden hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. Betrokkene heeft tevens nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Betrokkene is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving van 12 januari 1999 tot en met 28 februari 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het College de aan betrokkene verleende bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 12.904,90 van betrokkene teruggevorderd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij gedurende de genoemde periode bij haar moeder in [gemeente] verbleef en niet (meer) haar hoofdverblijf had in de gemeente [naam gemeente].

1.3. Op 1 mei 2007 heeft betrokkene een aanvraag om bijstand met ingang van 1 maart 2007 ingediend. Bij besluit van 25 juni 2007, voor zover hier van belang, heeft het College aan betrokkene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 1 mei 2007 en de aanvraag om bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot 1 mei 2007 afgewezen.

1.4. Betrokkene heeft tegen de besluiten van 10 april 2007 en 25 juni 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het College, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard en de bezwaren tegen het besluit van 25 juni 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat aan betrokkene bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt toegekend met ingang van 27 april 2007. De afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot en met 26 april 2007 heeft het College gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar woon- en verblijfplaats in [gemeente] gedurende de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007, dat het College bevoegd is tot intrekking van de bijstand over die periode en tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand, maar dat het College bij de uitoefening van die bevoegdheden onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gezondheidstoestand van betrokkene. De rechtbank heeft daarbij ten overvloede overwogen dat een beperking van de terugvordering tot ongeveer 60% de toets der kritiek zou kunnen doorstaan.

3. Betrokkene en het College hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 26 februari 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is, voor zover van belang, de bijstand van betrokkene over de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007 ingetrokken op de grond dat betrokkene gedurende deze periode niet haar woonadres had in de gemeente [naam gemeente], en zijn de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.742,94 van haar teruggevorderd. Het College heeft daarbij overwogen dat in de gezondheidstoestand van betrokkene aanleiding wordt gezien de terugvordering te beperken tot 60% van de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand. Het College heeft bij dat besluit voorts wederom het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat aan betrokkene bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt toegekend met ingang van 27 april 2007 en de afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot en met 26 april 2007 gehandhaafd. De Raad merkt het besluit van 26 februari 2009 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, tevens een oordeel geven over dat besluit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene

5.2. Betrokkene heeft aangevoerd dat het College niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007. Betrokkene stelt dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij het College op 2 maart 2006 schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van haar vertrek uit de gemeente [naam gemeente]. Betrokkene stelt voorts dat van een intrekken in de woning van haar moeder nooit sprake is geweest.

5.2.1. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening en voortzetting van bijstand.

5.2.2. Door betrokkene wordt niet bestreden dat zij ten tijde in geding niet op het door haar opgegeven adres [adres] te [naam gemeente], maar op het adres van haar moeder in de gemeente [gemeente] verbleef. Voor zover betrokkene met haar stelling dat van een intrekken in de woning van haar moeder nooit sprake is geweest, heeft willen aanvoeren dat zij haar woonplaats te [naam gemeente] niet heeft willen prijs geven, kan deze stelling niet slagen. De Raad acht daartoe van belang dat betrokkene ten tijde in geding een onafgebroken periode van meer dan een jaar in de woning van haar moeder te

[gemeente] verbleef. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een tijdelijk verblijf elders dat niet tot wijziging van de woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB leidt. Ook hetgeen betrokkene op 3 april 2007 heeft verklaard, dat zij elke dinsdag op het adres [adres] te [naam gemeente] kwam om de woning schoon te maken en de post op te halen, acht de Raad onvoldoende om van een feitelijk hoofdverblijf op het adres [adres] te [naam gemeente] te kunnen spreken. Gelet op het voorgaande is de Raad dan ook van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene ten tijde in geding haar woonplaats niet meer had in de gemeente [naam gemeente].

5.2.3. De Raad is voorts van oordeel dat betrokkene haar stellingen dat zij het College middels een schriftelijke verklaring van haar vertrek uit de gemeente [naam gemeente] op de hoogte heeft gesteld en dat zij deze verklaring op 2 maart 2006 heeft afgegeven aan de balie, niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor haar stellingen zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. Voorts is ook de stelling van betrokkene dat het College het stuk heeft verduisterd niet aannemelijk geworden.

5.2.4. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, niet heeft gemeld dat zij in de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007 in de woning van haar moeder te [gemeente] verbleef en derhalve niet meer in de gemeente [naam gemeente] woonachtig was, als gevolg waarvan aan haar ten tijde in geding ten onrechte bijstand is verleend. Betrokkene had immers gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB geen recht op bijstand jegens het College. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de bijstand van betrokkene over de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2007 in te trekken.

5.2.5. Gelet op hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.2.4 is overwogen slaagt het hoger beroep van betrokkene in zoverre niet.

5.3. Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat het College haar ten onrechte geen bijstand heeft toegekend over de periode van 1 maart 2007 tot en met 26 april 2007.

5.3.1. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 februari 2008, voor zover daarbij de afwijzing van haar aanvraag om bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot en met 26 april 2007 is gehandhaafd. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep van betrokkene in zoverre slaagt.

5.3.2. De Raad stelt verder vast dat de periode van 1 maart 2007 tot en met 26 april 2007 is gelegen vóór de datum van de aanvraag van 1 mei 2007 en dat over deze periode nog geen besluitvorming van het College heeft plaatsgevonden.

5.3.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

5.3.4. De Raad is van oordeel dat van de onder 5.3.3 bedoelde bijzondere omstandigheden niet is gebleken.

5.3.5. Uit het voorgaande volgt dat het College de aanvraag van betrokkene om bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot en met 27 april 2007 terecht heeft afgewezen.

5.4. Ten aanzien van het hoger beroep van het College

5.4.1. Het College kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het College bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gezondheidstoestand van betrokkene.

5.4.2. Ingevolge punt 6 van de ten tijde van het besluit van 7 februari 2008 geldende Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften terugvordering en verhaal (hierna: beleid) kan van intrekking en terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Uit de toelichting bij dit punt blijkt dat van dringende redenen slechts sprake is indien de intrekking dan wel terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen heeft voor betrokkene. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de gezondheidstoestand van betrokkene geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin zijn gelegen. Immers, noch gesteld noch gebleken is dat de intrekking dan wel terugvordering tot gevolg heeft gehad dat de gezondheidstoestand van betrokkene is verslechterd.

5.4.3. De Raad is voorts van oordeel dat in de gezondheidssituatie van betrokkene noch in hetgeen zij overigens heeft aangevoerd bijzondere omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

5.4.4. Uit hetgeen onder 5.4.1 tot en met 5.4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van het College slaagt.

5.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaren.

6. Het vorenstaande betekent tevens dat het besluit van 26 februari 2009 voor vernietiging in aanmerking komt, omdat door de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag daaraan is komen te ontvallen.

7. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 11,-- wegens reiskosten. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 26 februari 2009;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 11,--;

Bepaalt dat het College aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

BvW\