Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08/4427 WWB + 08/4428 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling invorderingsbedrag. Niet is gebleken dat de schulden van dien aard waren dat huisuitzetting of afsluiting van energie dreigde. Evenals de rechtbank acht ook de Raad van belang dat het College bij de invordering een preferente positie heeft ten opzichte van andere schuldeisers van appellanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4427 WWB

08/4428 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 juni 2008, 07/1046 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, heeft meegedeeld dat hij mr. Dieters opvolgt als gemachtigde.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 oktober 2010. Partijen hebben zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft van appellanten ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. Tot 1 februari 2007 vond de aflossing van deze schuld van appellanten aan het College plaats door middel van inhouding op de door het College aan appellanten toegekende bijstand. Het ingevorderde bedrag bestond naast een maandelijkse inhouding uit de afboeking in mei van de maandelijkse reservering van het vakantiegeld. Het volledige bedrag kwam overeen met 10% van de voor appellanten geldende uitkeringsnorm.

1.2. Appellanten zijn per 1 februari 2007 verhuisd van [naam gemeente] naar [woonplaats]. Zij ontvangen sedertdien van de gemeente Midden-Drenthe een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.3. Bij besluit van 7 mei 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 september 2007, heeft het College het invorderingsbedrag per 1 mei 2007 vastgesteld op € 123,69 per maand, zijnde 10% van de op dat moment geldende bijstandsnorm voor gehuwden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellanten tegen het besluit van 6 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellanten hebben verwezen naar de gronden in bezwaar en beroep en in het bijzonder aangevoerd dat zij aanzienlijke huur- en energieschulden hadden, waarmee het College in overeenstemming met zijn beleid bij het vaststellen van de hoogte van het aflossingsbedrag rekening had moeten houden. Maandelijks werd extra afgelost voor de huur, waaruit volgens appellanten blijkt dat huisuitzetting dreigde. Voor de energieschuld hebben appellanten verwezen naar een brief van een incassobureau, waaruit zij afleiden dat afsluiting dreigde.

3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat de schulden van dien aard waren dat huisuitzetting of afsluiting van energie dreigde. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad ook verder geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid tot het vastgestelde invorderingsbedrag heeft kunnen besluiten. Evenals de rechtbank acht ook de Raad van belang dat het College bij de invordering een preferente positie heeft ten opzichte van andere schuldeisers van appellanten.

3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

HD