Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08-5828 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Het College mocht er in redelijkheid vanuit gaan dat het niet onaannemelijk is dat appellant op enig moment betalingen zal gaan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5828 WWB

09/789 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2008, 07/4114 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 januari 2009 heeft het College een nader besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van den Bogaard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Ten tijde hier van belang waren in de gemeente Amsterdam de Beleidsregels Wet werk en bijstand (hierna: Beleidsregels WWB) van kracht. Op grond van artikel 6:3, tweede lid, eerste volzin, kon het College onder meer besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien, voor zover in dit geding van belang, de belanghebbende:

b. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

d. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten.

1.2. Appellant heeft het College bij brief van 23 maart 2007 verzocht om kwijtschelding van een schuld van € 33.208,29 op de grond dat hij gedurende vijf jaar heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen. De schuld is ontstaan door de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 1993 tot en met 30 november 1996 wegens het verzwijgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

1.3. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het College het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.4. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 september 2007, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 september 2007, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

2.1. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het College het verzoek om kwijtschelding terecht met toepassing van artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels WWB heeft afgewezen op de grond dat appellant niet gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank heeft echter tevens geoordeeld dat het College bij besluit van 13 september 2007 verzuimd heeft te beslissen op het bezwaar van appellant dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels WWB.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank heeft overwogen dat hij niet gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 22 januari 2009 het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2007 (opnieuw) ongegrond verklaard.

4.1. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in zijn beoordeling dient te worden betrokken, nu daarmee niet volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ten aanzien van de aangevallen uitspraak

5.1.1. Vaststaat dat appellant geen enkele betaling heeft verricht ter aflossing op zijn schuld aan het College.

5.1.2. Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant gedurende de perioden waarin, bij gebreke van enige financiële draagkracht, de vordering tijdelijk buiten invordering is gesteld, heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels WWB.

5.1.3. Partijen verschillen wel van mening over de vraag gedurende welke perioden sprake is geweest van een buiten invordering stellen van de schuld in de zin zoals hiervoor onder 5.1.2 is bedoeld.

5.1.4. De Raad ziet geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat het College reeds vanaf juli 2002 van invordering heeft afgezien vanwege de financiële draagkracht van appellant.

5.1.5. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de gedingstukken is af te leiden dat de invordering van de schuld feitelijk is opgeschort, in afwachting van een uitspraak op het door appellant ingestelde hoger beroep met betrekking tot de hier aan de orde zijnde terugvordering. De Raad wijst in dit verband onder andere op de door het College op 17 en 22 december 2003 opgestelde rapporten. Na de in hoger beroep op 15 juli 2003 gegeven uitspraak van deze Raad, heeft het College de financiële situatie van appellant tijdens een heronderzoek beoordeeld. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van 16 september 2004, waarbij het College appellant heeft meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2004 niet wordt geacht over de financiële middelen te beschikken om betalingen te verrichten ter aflossing van de schuld.

5.1.6. Op grond van hetgeen onder 5.1.1 tot en met 5.1.5 is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant, te rekenen vanaf 1 januari 2004, niet gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat het College het verzoek om kwijtschelding met toepassing van artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels WWB terecht heeft afgewezen.

5.1.7. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in stand kan blijven.

5.2. Ten aanzien van het besluit van 22 januari 2009

5.2.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan het bepaalde in artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels WWB. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hij weliswaar, zoals het College heeft vastgesteld, een huis en een erf in Suriname in eigendom heeft, maar niet over een eventuele opbrengst hiervan kan beschikken vanwege de in Suriname van kracht zijnde deviezenbeperkende maatregelen.

5.2.2. Het College heeft aan het besluit van 22 januari 2009 ten grondslag gelegd dat het niet onaannemelijk is dat appellant, gelet op zijn bezit in Suriname, kan gaan beschikken over financiële middelen waarmee hij betalingen zal kunnen gaan verrichten ter aflossing van de schuld. Daarbij heeft het College, onder verwijzing naar de van het Internationaal Bureau Fraude-Informatie verkregen - mondelinge - informatie, gemotiveerd bestreden dat de door appellant gestelde deviezen beperkende maatregelen aan betalingen in de weg staan.

5.2.3. De Raad stelt voorop dat het aan appellant is aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de hier aan de orde zijnde voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Gelet op het door het College ingenomen standpunt, waartegen appellant in hoger beroep slechts heeft aangevoerd dat dit onvoldoende feitelijk is onderbouwd, is de Raad van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd.

5.2.4. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het College er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat het niet onaannemelijk is dat appellant op enig moment betalingen zal gaan verrichten. Dit betekent dat het College het verzoek om kwijtschelding in overeenstemming met artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels WWB heeft afgewezen.

5.2.5. Appellant heeft ter zitting van de Raad nog aangevoerd dat het College in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel het besluit van 22 januari 2009 op dezelfde grond heeft gebaseerd als het besluit in primo van 24 april 2007, terwijl deze grondslag bij het besluit op bezwaar van 13 september 2007 uitdrukkelijk is verlaten en vervangen door een andere grondslag.

5.2.6. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat bij besluit in primo van 24 april 2007 het verzoek om kwijtschelding is afgewezen op de grond dat appellant beschikt over vermogen tot een bedrag dat minimaal gelijk is aan het saldo van de openstaande vordering.

5.2.7. Bij het besluit van 22 januari 2009 heeft het College, anders dan het besluit van 24 april 2007, beoordeeld in hoeverre het aannemelijk is dat appellant op enig moment betalingen zal gaan verrichten, in de zin van artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels WWB.

5.2.8. Gezien hetgeen onder 5.2.6 en 5.2.7 is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt, omdat er geen sprake is van een herhaalde grondslag in de door appellant genoemde besluiten. Dat het vermogen van appellant in Suriname bij de onder 5.2.7 genoemde beoordeling (weer) een rol speelt, doet hieraan niet af.

5.2.9. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. Waasdorp.

IJ