Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08-6826 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering, op de grond dat appellant verzuimd heeft het College in te lichten over zijn bezittingen dan wel vermogen in Turkije. Het College heeft zich terecht op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd geacht de teveel betaalde bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, dan wel van bijzondere omstandigheden die het College aanleiding hadden moeten geven om van zijn beleidsregels af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6826 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2008, 08/334 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Mos, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Dezfouli, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 22 september 2005 tot en met 30 april 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Nadat bekend was geworden dat appellant in Turkije bezittingen dan wel vermogen had, heeft het College hem gevraagd daarover nadere informatie te verstrekken, waaronder een taxatierapport van zijn woning. Die informatie is niet verstrekt. Daarop heeft het College bij besluit van 31 mei 2007 de bijstand van appellant met ingang van

22 september 2005 ingetrokken, op de grond dat appellant verzuimd heeft het College in te lichten over zijn bezittingen dan wel vermogen in Turkije, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant heeft tegen dit besluit toentertijd geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 13 september 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 december 2007, heeft het College de over de periode van 22 september 2005 tot en met 30 april 2007 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 18.832,43 van appellant teruggevorderd. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat nu het intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden, de bevoegdheid tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand vast staat en dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden of van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet de beschikking heeft over de woning in Turkije, omdat de erfenis van zijn moeder nog niet is verdeeld. Gelet hierop vindt hij dat het intrekkingsbesluit hem niet tegengeworpen mag worden.

3.2. Gegeven de in rechte vaststaande intrekking van de bijstand met ingang van 22 september 2005 heeft het College zich, naar het oordeel van de Raad, terecht op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd geacht de teveel betaalde bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, dan wel van bijzondere omstandigheden die het College aanleiding hadden moeten geven om van zijn beleidsregels af te wijken.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter, in tegenwoordigheid van

C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ