Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-5629 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de werkgever betaalde bedrag van € 12.500,- dient te worden aangemerkt als loon dat appellant in de referteperiode, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de WW, heeft verdiend. Ook indien de door de werkgever in de salarisspecificatie gegeven kwalificatie als “ontslagvergoeding” buiten beschouwing wordt gelaten, bieden de door appellant overgelegde (proces)stukken een te smalle basis om aard en samenstelling van het bedrag met voldoende nauwkeurigheid te kunnen bepalen. Reeds hierom kan bij de bepaling van het dagloon niet alsnog met de nabetaling rekening worden gehouden. Geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5629 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2009, 08/4096 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 4 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Keizer, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij [naam werkgever]. De arbeidsovereenkomst met de werkgever is per 1 januari 2007 door de kantonrechter ontbonden. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarbij is het dagloon bepaald op € 135,24. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Bij dagvaarding van 26 april 2007 is namens appellant een vordering tegen de werkgever ingesteld, voor zover hier van belang strekkende tot betaling van € 28.064,68 ter zake van achterstallig salaris, tot betaling van € 10.669,79 ter zake van vakantie- en ATV-uren, alsmede tot afdracht van achterstallige pensioengelden aan het bedrijfspensioenfonds. Op een door de kantonrechter gelaste comparitie van partijen op 15 januari 2008 hebben appellant en de werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, in hoofdzaak inhoudende dat de werkgever aan appellant tegen finale kwijting een bedrag groot € 12.500,- bruto zal betalen. Omstreeks 4 februari 2008 heeft de werkgever ter zake van deze betaling aan appellant een salarisspecificatie verstrekt, waarin het bedrag van € 12.500,- wordt aangeduid als “ontslagvergoeding”. Het netto-bedrag van de specificatie is aan appellant uitbetaald.

1.3. Bij brief van 4 februari 2008 heeft appellant het Uwv verzocht de hoogte van zijn dagloon per 1 januari 2007 opnieuw vast te stellen, rekening houdend met de nabetaling door de werkgever.

1.4. Bij besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv het dagloon per 1 januari 2007 om andere redenen gewijzigd in € 145,29, maar geweigerd de betaling door de werkgever van € 12.500,- in het dagloon te verwerken. Tegen deze weigering heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan is - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat het bedrag van € 12.500,- geen loon is in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten en evenmin kan worden aangemerkt als vorderbaar maar niet tevens inbaar in de zin van artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Met juistheid heeft de rechtbank het inleidend verzoek van appellant van 4 februari 2008 aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het - in rechte onaantastbaar geworden - besluit van 19 februari 2007, waarbij het Uwv het dagloon van appellant heeft vastgesteld.

3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere beslissing handhaaft, kan een ter zake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen.

In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door de werkgever betaalde bedrag van € 12.500,- dient te worden aangemerkt als loon dat appellant in de referteperiode, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de WW, heeft verdiend. Ook indien de door de werkgever in de salarisspecificatie gegeven kwalificatie als “ontslagvergoeding” buiten beschouwing wordt gelaten, bieden de door appellant overgelegde (proces)stukken een te smalle basis om aard en samenstelling van het bedrag met voldoende nauwkeurigheid te kunnen bepalen. Reeds hierom kan bij de bepaling van het dagloon niet alsnog met de nabetaling rekening worden gehouden.

3.4. De nabetaling leverde dus geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op in de zin van artikel 4:6 van de Awb en gaf ook voor de periode nà het inleidend verzoek geen aanleiding om van de oorspronkelijke vaststelling van het dagloon terug te komen.

3.5. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.

HD