Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08-119 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen dringende redenen. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/119 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2007, 07/3475 en 07/3932 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.M. Bouman, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 oktober 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante voerde in de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 februari 2007 een gezamenlijke huishouding met [B.] (hierna: [B.]). Zij ontvingen gedurende die periode ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 27 maart 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 3 juli 2007, heeft het College de aan appellante en [B.] over de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 februari 2007 verleende bijstand ingetrokken en van appellante bedragen teruggevorderd van € 8.362,26 bruto (over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005), € 11.175,97 bruto (over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006) en € 446,33 netto (over de periode van 1 januari 2007 tot en met 9 februari 2007). Het totaal teruggevorderde bedrag is aldus bepaald op € 19.984,56. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat [B.], zonder dat appellante daarvan bij het College melding heeft gemaakt, in de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 februari 2007 nabetalingen heeft ontvangen van zijn invaliditeitspensioen en zijn uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Werkloosheidswet.

1.3. Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 3 juli 2007, in zoverre gegrond verklaard, dat de grondslag van de intrekking is gewijzigd van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, WWB in artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, WWB en dat het bedrag van de terugvordering op grond van dringende redenen is gematigd tot 50% van de vordering, zodat een terug te vorderen bedrag van € 9.992,28 resteerde. De bezwaren zijn voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het door het College terug te vorderen bedrag wordt gematigd tot € 4.996,14.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de voorzieningenrechter van de rechtbank het bedrag van de terugvordering van de rechtbank heeft bepaald op € 4.966,14. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om op grond van dringende redenen of bijzondere omstandigheden volledig van terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van dringende redenen als bedoeld in de door het College ter zake gehanteerde beleidsregels of op grond van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de terugvordering verder had moeten matigen dan hij heeft gedaan.

4.2. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen op grond waarvan de voorzieningenrechter van de rechtbank in het kader van de toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de terugvordering (nog) verder had moeten matigen dan hij in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad heeft de voorzieningenrechter in die uitspraak reeds voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin appellante ten tijde van belang verkeerde. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat de Belastingdienst in verband met de door [B.] ontvangen nabetalingen ook de zorg- en huurtoeslag van haar terugvordert, kan niet tot een ander oordeel leiden. De Raad merkt in dit verband op dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft een belanghebbende als schuldenaar de bescherming, of kan hij deze zonodig inroepen, van de regels inzake de beslagvrije voet neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan de voorzieningenrechter van de rechtbank in het kader van de toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in afwijking van de door het College gehanteerde beleidsregels de terugvordering verder had moeten matigen dan hij in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

4.4. Uit het voren overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claesssens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

IJ