Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
10-2384 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring aanvraag. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2384 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2010, 08/3351(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2010. Voor appellant is verschenen mr. F. Verkerk, kantoorgenoot van mr. Tijhuis, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 3 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 februari 2000, waarbij de aanvraag van appellant om toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijn-overschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard op de grond dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid, omdat appellant door het Uwv niet in de gelegenheid was gesteld de reden voor de termijnoverschrijding kenbaar te maken. De door appellant in beroep aangegeven reden voor de termijnoverschrijding gaf echter ook de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Aan appellant is vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 322,-- toegekend voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, waarbij het gewicht van de zaak is aangemerkt als licht. Tevens is opgedragen het door appellant betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat naar zijn mening de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is. Volgens appellant heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dan ook ten onrechte in stand gelaten. Voorts meent appellant dat de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van de toegekende proceskosten het gewicht van zijn zaak ten onrechte als licht heeft aangemerkt.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant met het bezwaar van 4 september 2008 gericht tegen het besluit van 22 februari 2000, te laat bezwaar heeft gemaakt.

4.3. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb niet van toepassing is. Uit genoemd artikel volgt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met de rechtbank - en op grond van dezelfde overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd - is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde reden van de termijnoverschrijding, te weten dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij eerst bezwaar kon maken indien hij in bezit was van een geldige verblijfstitel, er niet toe leidt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Het besluit van 22 februari 2000 bevatte immers een bezwaarclausule en gaf geen aanleiding voor de onjuiste veronderstelling van appellant met betrekking tot de mogelijkheid om bezwaar te maken. De gevolgen hiervan komen dan ook geheel voor risico van appellant.

4.4. Met betrekking tot de grief van appellant aangaande de proceskosten, merkt de Raad het volgende op. Uitgangspunt bij de toekenning van proceskosten in beroep is dat wordt uitgegaan van gemiddelde zwaarte van een zaak. Bij uitzondering kan, mits gemotiveerd, worden uitgegaan van de categorie licht. Hiervan is niet gebleken, zodat de Raad tot het oordeel komt dat deze grief slaagt.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt voor zover de toekenning van proceskosten in beroep is gebaseerd op een gewicht van de zaak als licht en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Gezien het voorgaande ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op

€ 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv is veroordeeld in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 322,--;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1518,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 150,--.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) A.L. de Gier.

CVG