Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08-5884 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorssing en intrekking en heropening WAO-uitkering op de grond dat uit controle was gebleken dat appellant vanaf die datum niet verzekerd was voor de sociale werknemersverzekeringswetten. na onderzoek was gebleken dat appellant vanaf die datum op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verbleef. De Raad stelt allereerst vast dat in rechte vaststaat dat de WAO-uitkering van appellant per 1 februari 2005 is geschorst. Omdat de intrekking van de WAO-uitkering bij besluit van 6 maart 2006 niet is gehandhaafd, merkt de Raad voorts op dat het besluit van 2 januari 2008 zo moet worden gelezen dat het Uwv de betaling van de WAO-uitkering per 8 mei 2006 heeft hervat. Het Uwv heeft de betaling van de WAO-uitkering terecht niet eerder dan op 8 mei 2006 heeft hervat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5884 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2008, 08/184 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs J. Hut, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsuitkering (hierna: WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 50 van de WAO de betaling van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2005 geschorst, omdat uit controle was gebleken dat appellant vanaf die datum niet verzekerd was voor de sociale werknemersverzekeringswetten. Het tegen het besluit van 25 januari 2005 gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 3 mei 2005. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, bij uitspraak van 7 september 2005. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 29 september 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken. Bij besluit van 6 maart 2006 heeft het Uwv deze intrekking niet gehandhaafd.

1.3. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 mei 2006 heropend, omdat na onderzoek was gebleken dat appellant vanaf die datum op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verbleef.

1.4. Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat hij op grond van zijn verblijfspositie in Nederland (ook) over de periode van 1 februari 2005 tot 8 mei 2006 verzekerd was voor de WAO.

1.5. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 januari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1. De Raad stelt allereerst vast dat in rechte vaststaat dat de WAO-uitkering van appellant per 1 februari 2005 is geschorst. Omdat de intrekking van de WAO-uitkering bij besluit van 6 maart 2006 niet is gehandhaafd, merkt de Raad voorts op dat het besluit van 2 januari 2008 zo moet worden gelezen dat het Uwv de betaling van de WAO-uitkering per 8 mei 2006 heeft hervat.

2.2. De vraag die thans door de Raad dient te worden beantwoord is of in de periode van 1 februari 2005 tot 8 mei 2006 een datum is aan te wijzen waarop het Uwv de betaling van de WAO-uitkering had moeten hervatten.

2.3. Uit informatie van de afdeling Koppelingsbureau van de IND van 23 april 2010 blijkt dat aan appellant in de hier relevante periode geen verblijfstitel was verleend. Eerst op 8 mei 2006 heeft appellant een aanvraag ingediend waarvan hij de behandeling in Nederland mag afwachten. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat vorenvermelde informatie onjuist is. Dit betekent dat het Uwv terecht de betaling van de WAO-uitkering niet eerder dan op 8 mei 2006 heeft hervat.

3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

HD