Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
10-961 TOG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000, berust op goede gronden. Het aantal punten dat Cliënt First voor de zoon heeft bepaald ligt onder het vereiste minimumaantal van zes, op grond waarvan is geconcludeerd dat de zoon niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van zijn leeftijd. Het Beoordelingsinstrument, interne uitvoeringsrichtlijn voor deskundigen, als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/961 TOG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 december 2009, 09/738 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bos, werkzaam bij Ars Iuris, bestuursrechtelijke advisering te Steenwijk, hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bos. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd en drs. G. Durlinger.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving ten behoeve van haar [zoon] sinds 1 januari 2007 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000). Bij [zoon], geboren op 11 oktober 1994, is de diagnose autisme gesteld. Hij bezoekt het reguliere onderwijs op HAVO-niveau met behulp van een leerling-gebonden budget, het zogeheten ‘rugzakje’. [zoon] heeft een AWBZ-indicatie voor kortdurend verblijf en ondersteunende begeleiding (gerealiseerd door middel van een PGB).

1.2. In verband met een heronderzoek naar het recht op een tegemoetkoming heeft appellante een medisch vragenformulier herindicatie ingevuld en daarbij informatie van de behandelend artsen gevoegd.

1.3. Op 22 september 2008 heeft B. Weening, medisch beoordelaar van ClientFirst Intermediairs te Zeist (hierna: ClientFirst), aan SVB een medisch advies uitgebracht. Daarbij is geconcludeerd dat bij [zoon] sprake is van door ziekte of stoornis veroorzaakte beperkingen. Deze zijn beoordeeld met behulp van het Beoordelingsinstrument TOG, waarbij een score van vier punten is vastgesteld. Eén punt voor gedrag, één punt voor communicatie, één punt voor begeleiding buitenshuis en één punt voor bezighouden/handreikingen.

1.4. Bij besluit van 26 september 2008 heeft SVB de tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 met ingang van het vierde kwartaal van 2008 beëindigd. Het aantal punten dat Cliënt First voor [zoon] heeft bepaald ligt onder het vereiste minimumaantal van zes, op grond waarvan is geconcludeerd dat [zoon] niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van zijn leeftijd.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 26 september 2008 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de criteria niet inzichtelijk zijn, omdat appellante niet beschikt over het Beoordelingsinstrument, de status van het Beoordelingsinstrument onduidelijk is, deze niet is gepubliceerd en de invulling van de criteria in strijd is met de rechtszekerheid. Voorts heeft appellante betoogd dat met het gehanteerde zorgscoreformulier - dat met name gericht is op fysieke handicaps - geen inschatting kan worden gemaakt van de zorgzwaarte bij autisme en dat de zorgzwaarte van de bij [zoon] aanwezige handicap onvoldoende wordt gewaardeerd. Dat het Beoordelingsinstrument voor de subcategorie communicatie een score van licht bij autisme geeft, is een miskenning van de extra zorgzwaarte die een kind met autisme met zich meebrengt. Er wordt voorbij gegaan aan de bepaling van de individuele zorgzwaarte. Het Beoordelingsinstrument waardeert de zorgzwaarte als bedoeld in de artikelen 3 en 6 van de TOG niet adequaat en is daarmee dan ook in strijd. Dit geldt ook voor de invulling van de subcategorieën 6, 8, 9 en 10. Het Beoordelingsinstrument is in strijd met de bedoeling van de TOG dan wel waardeert onvoldoende de zwaarte van niet-fysieke handicaps.

Voorts heeft appellante betoogd dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en kan zij zich niet verenigen met de wijze waarop punten zijn toegekend. Door op het onderdeel communicatie slechts te volstaan met één punt wordt de zorgzwaarte van [zoon] volstrekt miskend. De basale communicatie is ernstige beperkt omdat communicatie geschiedt door een “autistische bril”, waardoor steeds een vertaling nodig is. [zoon] interpreteert woorden en andere vormen van communicatie totaal anders.

Op het aspect begeleiding buitenshuis is ten onrechte maar één punt toegekend. [zoon] gaat alleen naar school dankzij vaak oefenen, constante inspanning, herhaling en begeleiding door appellante. Appellante meent dat haar goede begeleiding zich nu tegen haar keert.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaar heeft Client First bij brief van 25 maart 2009 opnieuw een medisch advies uitgebracht. Daarbij heeft de arts H.J. Diephuis onder meer gerapporteerd dat [zoon] tevens in aanmerking komt voor een punt voor medische verzorging, zodat de totale score vijf punten wordt. Voorts is opgemerkt dat de eventuele extra moeite die ouders of anderen hebben gedaan aan training, opvoeding en begeleiding voorafgaande aan de beoordelingsdatum niet dan wel minder wordt meegewogen. Alleen de extra moeite die de ouders moeten doen, gerelateerd aan de beperking op het moment dat deze optreedt, telt mee bij de beoordeling.

1.7. Bij besluit van 25 maart 2009 heeft SVB het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard. SVB heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat TOG 2000 op een deugdelijke wijze bekend is gemaakt. Voorts heeft SVB uiteengezet dat de zorgzwaarte van een gehandicapt kind met behulp van het Beoordelingsinstrument en een ingevuld medisch vragenformulier met acceptabele mate van nauwkeurigheid kan worden ingeschat. Het zijn de kinderen die onderling worden vergeleken met leeftijdsgenoten en niet zozeer de ouders. Voor alle ziektebeelden is gekozen voor dezelfde 10 aandachtsgebieden en wordt per aandachtsgebied gekeken naar wat het kind wel en niet kan. Er wordt beoordeeld op de uitkomst van een aandoening op ieder gebied, waarmee bereikt wordt dat er niet per ziekte een andere beoordelingssystematiek opgezet hoeft te worden. Tevens wordt daarmee bereikt dat wanneer een kind meerdere aandoeningen heeft, de uitkomstmaat qua functioneren kan worden gemeten en vergeleken met die van gezonde leeftijdsgenoten. Voor wat betreft de communicatie is overwogen dat [zoon] simpele wensen en eenvoudige/concrete vragen kenbaar kan maken en dat hij goed kan spreken, alhoewel de taal regelmatig niet functioneel is als gevolg van een inadequate reactie. Het is niet zo dat de taal door (bijna) niemand begrepen wordt. Daarbij is opgemerkt dat [zoon] vooralsnog met succes een HAVO-opleiding volgt, waarvoor enige basale communicatie onontbeerlijk is. Op het aandachtsgebied ‘alleen thuis zijn’ worden 0 punten gescoord, omdat [zoon] meer dan een uur alleen thuis kan blijven, indien sprake is van een ‘vangnet’, waarbij de bereikbaarheid goed geregeld is. De zorgscore op het aandachtsgebied bezighouden/handreikingen blijft ongewijzigd op 1 punt, omdat [zoon] zich alleen kan vermaken met eventuele begeleiding op momenten. De zorgscore op het aspect medische verzorging is in overeenstemming met het advies van Diephuis verhoogd naar 1 punt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 maart 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad (met vermelding van de uitspraak van 1 december 2009, LJN BK5102) geoordeeld dat het Beoordelingsinstrument in beginsel als uitgangspunt kan worden genomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2008, LJN BF7035, oordeelt de rechtbank dat het Beoordelingsinstrument juist wel voorziet in het adequaat waarderen van zorgzwaarte bij een geestelijke handicap. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gebleken is dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat de zorgzwaarte op de categorieën communicatie, alleen thuis zijn en bezighouden/handreikingen niet zijn onderschat. Voor wat betreft het aspect communicatie heeft de rechtbank overwogen dat de bij [zoon] vastgestelde beperkingen passen bij de omstandigheden vermeld bij het onderdeel licht-1 van het Beoordelingsinstrument. Daarbij is opgemerkt dat in de situatie van [zoon] geen sprake is van een van de omstandigheden, vermeld bij onderdeel sterk-2 van het Beoordelingsinstrument. Voor wat betreft het aspect alleen thuis zijn heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zitting is komen vast te staan dat [zoon] meer dan drie kwartier (één a twee uur) alleen thuis kan zijn, met het vangnet op de achtergrond, en dat hij zichzelf in deze tijd ook kan bezighouden. Voor wat betreft het aspect bezighouden/handreikingen heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om twee punten toe te kennen. Niet gebleken is dat de onder sterk-2 van het Beoordelingsinstrument aangegeven omstandigheden - dat een kind is aangewezen op voortdurende individuele aandacht, activering en begeleiding en dat een kind zich in het geheel niet alleen kan vermaken of bezig zijn en dat alle activiteiten binnenshuis georganiseerd en begeleid moeten worden - zich in de situatie van [zoon] voordoen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat [zoon] zich onder meer door middel van een persoonsgebonden budget handhaaft op het reguliere onderwijs en dat hij zich goed alleen kan vermaken, bijvoorbeeld met computeren.

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nagenoeg dezelfde argumenten als in bezwaar en beroep aangevoerd. Daarbij is voor wat betreft het aandachtspunt communicatie aangevoerd dat de zorgzwaarte in geval van autisme volstrekt niet wordt onderkend, nu de zorgzwaarte wordt beperkt tot fysieke communicatiegebreken. Appellante heeft in dat kader gewezen op het advies van de Gezondheidsraad van 23 juli 2009 en de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2008, LJN BF7035. Voor wat betreft het aandachtspunt alleen thuis zijn geeft het meetinstrument volgens appellante enkel tijden en onvoldoende de zorgzwaarte aan. Bij autisten zijn de tijden geen constanten. Voor wat betreft het aspect handreikingen/bezighouden worden enkel fysieke handicaps gedefinieerd. De zorg wordt bij [zoon] juist bepaald door constante begeleiding, bijsturing en herhaaldelijke uitleg over de meest elementaire handelingen. Alleen het aanbieden van een volledige complete dagstructuur zorgt ervoor dat [zoon] ondanks zijn cluster 4 indicatie op het reguliere onderwijs handhaafbaar is.

3.2. De SVB heeft het standpunt van appellante bestreden en heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 december 2009, LJN BK5102.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de TOG 2000 tot doel heeft ouders/verzorgers die een zeer ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen, terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel tegemoet te komen.

4.2.1. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

4.2.2. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

4.2.3. In artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, over dat kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.

4.2.4. Bij de beoordeling of sprake is van afhankelijkheid van geregelde oppassing en verzorging als bedoeld in artikel 3, onder a, van de TOG 2000 wordt door de SVB, overeenkomstig daartoe opgestelde beleidsregels, gepubliceerd in Stcrt. 2007, 103, vastgesteld of en in welke mate het kind is aangewezen op hulp met betrekking tot de volgende aspecten: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging (de categorie verzorging) en gedragsproblemen, communicatiegebreken, de onmogelijkheid alleen thuis te zijn, begeleiding buitenshuis en handreikingen en begeleiding (de categorie oppassing). Per subcategorie wordt beoordeeld of het kind in sterke of in lichte mate afhankelijk is van hulp, toezicht en begeleiding. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de mate van hulp, toezicht en begeleiding die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft.

4.2.5. De SVB hanteert bij die beoordeling een interne uitvoeringsrichtlijn voor deskundigen, het zogenoemde Beoordelingsinstrument TOG. Dit Beoordelingsinstrument zoekt aansluiting bij de toelichting van de TOG 2000 en de door de SVB opgestelde beleidsregels. In het Beoordelingsinstrument wordt een nadere uitwerking gegeven aan de in het beleid genoemde beoordelingsthema's, waarbij per thema, afhankelijk van de zorgzwaarte, 0, 1 of 2 punten worden toegekend. Om te kunnen spreken van aanzienlijk meer afhankelijk zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd, hanteert de SVB een minimale score van 15 punten voor kinderen van drie jaar, 13 voor kinderen van vier en vijf jaar, 11 voor kinderen van zes en zeven jaar, 9 punten voor kinderen van acht en negen jaar, 8 punten voor kinderen van tien en elf jaar en 6 punten voor kinderen van twaalf jaar en ouder.

4.3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is niet gebleken dat het Beoordelingsinstrument als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Het Beoordelingsinstrument kan dan ook in beginsel als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 worden genomen. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het Beoordelingsinstrument in onvoldoende mate is toegesneden op de situatie dat bij een kind de diagnose autisme spectrum stoornis (hierna: ASS) is gesteld. Uit het in algemene termen gestelde advies van de Gezondheidsraad van 23 juni 2009 kan niet zonder meer worden afgeleid dat het Beoordelingsinstrument niet kan worden toegepast voor de beoordeling van de zorgzwaarte in het geval de diagnose ASS is gesteld.

4.3.2. Ook de verwijzing door appellante naar de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2008, LJN BF7035, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in die uitspraak heeft de Raad het Beoordelingsinstrument als uitgangspunt voor de beoordeling aanvaard. De Raad heeft daarbij geoordeeld dat de toepassing van het Beoordelingsinstrument in dat geval, waarin geen punt werd toegekend voor het aspect communicatie bij een kind waarbij de diagnose Syndroom van Asperger was gesteld, blijk gaf van de toepassing van een te beperkte uitleg van het aspect communicatie, zoals bedoeld in de TOG 2000.

4.4. Voor wat betreft de toepassing van het Beoordelingsinstrument onderschrijft de Raad de overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van het Beoordelingsinstrument bij [zoon] tot een te lage score leidt om vanaf het vierde kwartaal van 2008 nog langer voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van M. Eikelenboom-Renden als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Eikelenboom-Renden.

SB