Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-4871 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering te te kennen (vanuit een eerdere toekenning en intrekking WAO-uitkering). Geen sprake van een relevant arbeidsurenverlies. De Raad neemt als vaststaand aan dat appellante op 1 juli 2004 voor 18 uur per week belastbaar was en 20 uur per week werkzaam was. Op basis van dat gegeven is de Raad van oordeel dat appellante op die datum geen arbeidsuren heeft verloren en derhalve niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW. Voor zover appellante op die datum ook elders nog werkzaamheden zou hebben verricht zou dat de Raad niet tot een ander oordeel hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4871 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2009, 08/2886 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heet mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante is sinds 1 juli 1997 op basis van een contract voor onbepaalde tijd voor 36 uur per week werkzaam geweest bij de [naam stichting A]. Op 26 oktober 1998 is appellante uitgevallen wegens ziekte en met ingang van 25 oktober 1999 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% . Vanwege medische redenen was appellante sindsdien voor maximaal 50% belastbaar, hetgeen neerkomt op 18 uur per week. Met ingang van 1 april 2002 is appellante voor 20 uur per week in dienst getreden bij de [naam stichting B]. In verband met haar verdiensten is de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 april 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanaf 1 januari 2004 is de WAO-uitkering niet meer tot uitbetaling gekomen en met ingang van 1 juli 2004 is zij beëindigd.

1.3. Appellante heeft op 3 januari 2008 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd met ingang van 1 juli 2004, welke haar bij besluit van 21 januari 2008 is ontzegd omdat er geen sprake was van een relevant arbeidsurenverlies. Bij besluit van 10 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 januari 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is - voor zover hier van belang - werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

3.2. De Raad neemt als vaststaand aan dat appellante op 1 juli 2004 voor 18 uur per week belastbaar was en 20 uur per week werkzaam was bij de [naam stichting B]. Op basis van dat gegeven is de Raad van oordeel dat appellante op die datum geen arbeidsuren heeft verloren en derhalve niet werkloos is geworden in de zin van voormeld artikellid. Voor zover appellante op die datum ook elders nog werkzaamheden zou hebben verricht zou dat de Raad niet tot een ander oordeel hebben geleid.

3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) A.L. de Gier.

EK