Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-3447 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen redenen aanwezig om te twijfelen aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 22 februari 2007.Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat haar lichamelijke gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor arbeid op de datum in geding anders zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de resterende functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3447 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 mei 2009, 08/3640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 februari 2010 heeft het Uwv gereageerd op een vraagstelling van de Raad. Bij deze brief was een rapport van 11 februari 2010 -met bijlagen- van een bezwaararbeidsdeskundige gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J. de Jong, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1957, was full-time werkzaam als diamantslijpster toen zij op 14 augustus 2000 uitviel wegens gynaecologische- en darmklachten. Met ingang van 15 augustus 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uitkering bij besluit van 22 juni 2006 met ingang van 23 augustus 2006 is ingetrokken.

1.2. In oktober 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in verband met het regeerakkoord van 22 februari 2007, herbeoordeeld, waarbij zij is gezien door J.J.J. Hagenbeek, verzekeringsarts. Deze arts heeft op basis van dossierstudie, anamnese en een lichamelijk en psychologisch onderzoek geconcludeerd dat appellantes belastbaarheid, ten opzichte van het laatstelijk in 2006 verrichte onderzoek, niet is veranderd. De bij appellante aanwezige beperkingen zijn door hem neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 oktober 2007. Uit het arbeidskundig onderzoek, dat op het medisch onderzoek volgde, kwam naar voren dat appellantes verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld moet worden op 17%, hetgeen indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% rechtvaardigt. Op grond van de bevindingen en conclusies van dit medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2007 aan appellante, met ingang van 22 februari 2007, een uitkering ingevolge de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts en de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals verwoord in de FML van 11 oktober 2007. Aan het door appellante in beroep overgelegde rapport van de door haar ingeschakelde onafhankelijk verzekeringsarts mr. W.M. van der Boog, heeft de rechtbank niet die doorslaggevende betekenis toegekend die appellante daaraan toegekend wilde zien. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd aangeeft dat hij de door verzekeringsarts Van der Boog gegeven oorzaken voor de klachten verwerpt omdat niet medisch is vastgesteld dat de verdergaande klachten van appellante het rechtstreeks en objectief gevolg zijn van enige ziekte of gebrek, zodat deze niet tot verdergaande beperkingen van de belastbaarheid kunnen leiden. Ten aanzien van de geclaimde urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende en conform de toepasselijke Standaard Verminderde Arbeidsduur gemotiveerd heeft waarom hij in de ernst van de ziekte geen aanleiding heeft gezien om op energetische of preventieve gronden een urenbeperking aan te nemen. De rechtbank heeft voorts ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep -samengevat- aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat, dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk deskundige om verslag en advies heeft gevraagd en dat de belasting in de geduide functies haar belastbaarheid overschrijdt.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 22 februari 2007. De Raad schaart zich achter de overwegingen terzake in de aangevallen uitspraak. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat haar lichamelijke gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor arbeid op de datum in geding anders zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.

4.3. Zowel in beroep als in hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Uit het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige volgt dat twee van de primair geduide functies, te weten de functie vleeswarenmaker (Sbc-code 271070) en de functie wikkelaar (Sbc-code 267050), niet langer aan de onderhavige schatting ten grondslag worden gelegd. Uit dit rapport blijkt echter eveneens dat dan vijf functies resteren. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de onderhavige schatting gebaseerd op de drie hoogst verlonende functies, te weten de functie boekhouder (Sbc-code 515070), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180). Het mediaanloon van deze functies afgezet tegen het maatmanloon van appellante resulteert, zo blijkt uit het eerder genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, in een verlies aan verdienvermogen van 18,35% en indeling in de arbeidsongeschiktheids-klasse 15 tot 25%.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de resterende functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 juni 2008 en het in hoger beroep overgelegde rapport, is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de voor appellante geselecteerde functies. De Raad is, met de rechtbank van oordeel, dat het Uwv de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 terecht heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL