Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-3077 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen per 1 oktober 1976 berust op goede gronden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het besluit mede had moeten baseren op de AAW. Herhaalde aanvraag. Beperkte toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3077 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 april 2009, 08/3560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken, waaronder stukken van medische aard, ingezonden. Daarop heeft het Uwv gereageerd door het inzenden van verzekeringsgeneeskundig commentaar van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 oktober 2010. Appellante is verschenen, met bijstand van mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [in] 1957, heeft op 28 mei 2001 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd, wegens bij haar van kinds af aan bestaande psychische klachten. Bij besluit van 23 juli 2001 is geweigerd appellante per 1 oktober 1976 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen op de grond dat zij vanaf 27 juli 1974 tot 6 november 1981 (de datum van ziekmelding bij de toenmalige bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, die heeft geleid tot arbeidsongeschiktheidsuitkeringen) geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Tegen dit besluit, dat berust op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Op 29 oktober 2007 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals die luidde tot 1 januari 2010 (Wajong), aangevraagd wegens psychische klachten die al voor haar zeventiende verjaardag bestonden, maar ten aanzien waarvan de diagnose pas later is gesteld. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante per 1 oktober 1976 een uitkering ingevolge die wet toe te kennen op de grond dat appellante vanaf 27 juli 1974 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en zij geschikt wordt geacht voor gangbare arbeid. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 februari 2008 is bij besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard. Die besluiten berusten op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank, ervan uitgaande dat het besluit van 4 februari 2008 een besluit is op een nieuwe aanvraag, na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de resultaten van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken onderschreven.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv zich in het besluit van 25 juni 2008 uitsluitend heeft gebaseerd op de bepalingen van de Wajong. Gelet op het feit dat de Wajong eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking is getreden had het Uwv het besluit van 25 juni 2008 volgens de rechtbank mede moeten baseren op de AAW. Aangezien het materieel in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, heeft de rechtbank dat besluit gezien als een weigering een uitkering toe te kennen met toepassing van de AAW en daaraan geen gevolgen verbonden voor de rechtmatigheid van het besluit van 25 juni 2008. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank, gezien deze overweging dat besluit had moeten vernietigen. Verder heeft zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het materieel in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat.

3.2. De Raad verwerpt deze hoger beroepsgronden. De desbetreffende overweging en beslissing van de rechtbank is in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Raad. De Raad volstaat ermee, bij wijze van voorbeeld, te verwijzen naar zijn uitspraak van 15 juni 2010, LJN BM9517.

3.3. Het besluit van 23 juli 2001 berust op het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat bij appellante sprake is van een karakterologische problematiek en dat de gevolgen daarvan, zoals angsten en een depressie, niet zijn ontstaan door een aandoening. De Raad gaat er met partijen van uit, dat de, blijkens de door een verzekeringsarts van het Uwv verkregen brief van de appellante behandelend psychiater A.R. van Dongen van 11 januari 2008, later bij appellante vastgestelde Autisme Spectrum Stoornis, bij brief van die psychiater van 6 juli 2009 nader aangeduid als Pervasieve Ontwikkelingsstoornis NAO, een nieuw gebleken feit is als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het Uwv heeft dan ook terecht niet volstaan met het afwijzen van appellantes aanvraag van 29 oktober 2007 om een Wajong-uitkering onder verwijzing naar het besluit van 23 juli 2001. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld. Die besluitvorming heeft bestaan uit een volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek - waarbij informatie van psychiater Van Dongen is opgevraagd en betrokken - en een arbeidskundig onderzoek. In de bezwaarprocedure is vanwege het Uwv een volledig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek verricht. Deze onderzoeken hebben niet tot een andere beslissing geleid dan is neergelegd in het besluit van 23 juni 2001.

3.4. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit volgens vaste rechtspraak van de Raad echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of het bestuursorgaan in de nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.5. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Appellantes betoog komt hierop neer dat, voornamelijk gezien de bevindingen van de haar behandelend psychiater Van Dongen, het Uwv ten onrechte appellante niet in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering met ingang van 1 oktober 1976 op grond van de AAW. De door appellante aangevoerde gronden konden echter naar het oordeel van de Raad niet leiden tot een ander besluit. De Raad is, gelet op die door appellante aangevoerde gronden en hetgeen van de zijde van het Uwv daartegen is ingebracht, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit van 25 juni 2008 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.6. Gezien hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.5 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden omdat de rechtbank zich niet heeft beperkt tot de in 3.4 vermelde terughoudende toetsing.

4. Er is geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK