Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
09-1987 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Als “zijn arbeid” geldt ten minste één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant heeft geen medische onderbouwing gegeven op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusies en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1987 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2009, 08/623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Altena-Staalenhoef, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Altena-Staalenhoef. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als schoonmaker, heeft zich op 2 november 1999 ziek gemeld met HIV gerelateerde klachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 30 oktober 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daarnaast ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellant werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van zijn beperkingen onder meer de functies van productiemedewerker industrie, productiemedewerker papier, karton, drukkerij en productiemedewerker textiel (geen kleding) te vervullen gedurende 20 uur per week, respectievelijk 4 uur per dag.

1.2. Op 15 november 2006 heeft appellant zich ziek gemeld met klachten van vermoeidheid en psychische klachten. Na medisch onderzoek op 20 februari 2007, 7 augustus 2007 en 22 oktober 2007 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat een duidelijke toename van lichamelijke en psychische klachten niet vastgesteld kan worden en appellant vervolgens per 30 oktober 2007 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2007 beslist dat appellant met ingang van 30 oktober 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 8 januari 2008 - bij besluit van 14 januari 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de verzekeringsarts in opleiding en de bezwaarverzekeringsarts waren op deugdelijke wijze schriftelijk vastgelegd in de rapportages van 22 oktober 2007 en 8 januari 2008. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het opvragen van informatie bij de behandelend psychiater niet geïndiceerd was op grond van het onderzoek. De rechtbank was dan ook van oordeel dat het Uwv appellant terecht met ingang van 30 oktober 2007 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van in ieder geval één van de in het kader van de WAO voor hem geselecteerde functies, zodat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat met ingang van 30 oktober 2007 geen recht meer bestaat op ziekengeld.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat met name zijn psychische beperkingen onvoldoende zijn erkend en meegewogen. Hij is van mening dat het Uwv contact had moeten opnemen met zijn behandelend psychiater. Hij stelt in dit verband dat een observatie tijdens een hoorzitting niet voldoende is en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA9904. Hij acht het medisch onderzoek dan ook onvolledig.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.3. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de hiervoor in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies.

4.4. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De Raad verenigt zich met de door de rechtbank gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad overweegt in dit verband dat er in tegenstelling tot hetgeen appellant heeft gesteld geen sprake is geweest van “observatie van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting” zoals in de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 18 juli 2007. Er heeft een feitelijk medisch persoonlijk onderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts waarbij appellant lichamelijk is onderzocht en een oriënterend onderzoek van de psyche heeft plaatsgevonden en waarbij de bezwaarverzekeringsarts geen aanwijzingen voor een psychisch beeld heeft vastgesteld. De Raad acht dit onderzoek voldoende zorgvuldig en neemt daarbij in aanmerking dat blijkens de informatie van de huisarts van 20 augustus 2007 deze niet over verslagen van psychische behandelaars beschikt, hetgeen wel te verwachten was geweest als de situatie ernstig geweest zou zijn. Voorts heeft appellant ook zelf geen medische informatie van de psychiater ingebracht waaruit mogelijk zou blijken van een beredeneerd afwijkend standpunt. De ter zitting door de gemachtigde van appellant voorgelezen brief van de psychiater geeft daar naar het oordeel van de Raad geen blijk van. Van een noodzaak de behandelend psychiater te raadplegen - zoals bedoeld in de uitspraak van de Raad van

27 februari 2007, LJN AZ9604 - was dan ook geen sprake. Ook overigens heeft appellant geen medische onderbouwing gegeven op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusies en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.

4.5. Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

NK