Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
10-2302 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te herzien is terecht. Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van art. 43a, lid 1, WAO. De Raad kan zich met het oordeel van bezwaarverzekeringsarts verenigen, waarin deze betoogt dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen en heeft in de overige gedingstukken geen onderbouwing gevonden voor de door betrokkene geclaimde toegenomen medische beperkingen binnen vier weken na 16 oktober 2003. Er is niet voldaan aan de voorwaarden van art. 43a WAO. Evenmin is voldaan aan de wettelijke wachttijd van 52 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2302 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene] (hierna: betrokkene), laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2010, 08/5083 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te Leidschendam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 14 juli 2010 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Namens appellanten is verschenen mr. drs. van de Mortel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad neemt als vaststaand aan de feiten zoals die zijn weergegeven in zijn uitspraak van 21 mei 2008 (LJN BD2821). De Raad heeft in zijn uitspraak, voor zover relevant, overwogen dat het Uwv heeft volstaan met vast te stellen dat betrokkene niet gedurende de wettelijke wachttijd van 52 weken, zoals voorgeschreven in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Daarmee heeft het Uwv miskend dat hij naar aanleiding van de WAO-aanvraag van betrokkene niet alleen had te onderzoeken of de wachttijd van 52 weken was vervuld. In dat verband heeft de Raad evenzeer van belang geacht of betrokkene voldeed aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO, gelet op de omstandigheden van dit geval. Dit bracht de Raad tot het oordeel dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moest nemen.

2. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 21 mei 2008. Aan dit besluit ligt ten grondslag de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Debie van 8 september 2009. Het Uwv heeft het bezwaar gericht tegen het WAO-besluit van 8 oktober 2004 ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering op de grondslag van artikel 43a van de WAO per 13 november 2003 afgewezen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep hebben appellanten verwezen naar hetgeen in eerdere aanleg door hen is gesteld en voorts aangevoerd dat geen juiste toepassing is gegeven aan de uitspraak van de Raad van 21 mei 2008. Appellanten betogen dat het Uwv ten onrechte niet heeft onderzocht of de wachttijd van vier weken ingevolge artikel 43a van de WAO was vervuld onderscheidenlijk of de wachttijd van 52 weken was vervuld, beiden gerekend vanaf de datum van het intreden van de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en/of gebrek. Tevens voeren appellanten aan dat het Uwv de ernst van de psychische toestand van betrokkene heeft miskend. Het laatste medisch onderzoek in 2008 zoals dat is verricht door het Uwv was volgens hen gebrekkig en niet deugdelijk gemotiveerd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep hebben appellanten niet met aanvullende gegevens onderbouwd dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Daartoe verwijst de Raad eveneens naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Debie van 8 september 2009. Hierin geeft deze bezwaarverzekeringsarts aan dat ten aanzien van de psychische belastbaarheid geldt dat er psychische beperkingen zijn vastgesteld op 20 augustus 1999 op basis van de persoonlijkheidsstoornis. Verder betoogt de bezwaarverzekeringsarts dat een persoonlijkheidsstoornis vanaf de adolescentie/vroege volwassenheid manifest is en daarna niet wezenlijk is veranderd, dus ook niet de beperkingen die uit deze persoonlijkheidsstoornis voortvloeien. Alleen al op die grond kan naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geen sprake zijn van toename van (psychische) beperkingen vanuit dezelfde ziekte-oorzaak per datum vier weken na ziekmelding. Verder betoogt de verzekeringsarts dat uit de gegevens verstrekt door de bedrijfsarts en betrokkene zelf blijkt dat de fysieke klachten na de tweede aanrijding duidelijk de hoofdreden waren voor de ziekmelding en de arbeidsongeschiktheid. Voor zover er ook psychische klachten bestonden na het tweede ongeval was er, aldus de bezwaarverzekeringsarts, sprake van secundaire, reactieve, psychische klachten, als reactie op de nieuwe fysieke klachten en de gevolgen daarvan. De bezwaarverzekeringsarts betoogt dat de oorzaak van deze klachten het tweede ongeval was en niet de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene.

5.3. Naar aanleiding van de naar voren gebrachte gronden in hoger beroep voert de bezwaarverzekeringsarts in zijn commentaar van 14 juli 2010 aan, dat de beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid die in het belastbaarheidspatroon van 20 augustus 1999 zijn vastgesteld dermate fors en uitgebreid zijn, dat los van de gehanteerde diagnose (te weten persoonlijkheidsstoornis/dysthyme stoornis/chronische aanpassingsstoornis met dysthyme kenmerken), deze beperkingen, welke sedert 1999 gehanteerd worden, zeker adequaat te achten zijn. Tevens concludeert hij dat een toename van beperkingen op dat gebied, per datum in geding 13 november 2003, niet alleen niet aannemelijk zijn, omdat de reeds geldende beperkingen al zo fors zijn, maar ook omdat dit niet wordt onderbouwd door objectiveerbare feiten.

5.4. De Raad kan zich met het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Debie verenigen, waarin deze betoogt dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen en heeft in de overige gedingstukken geen onderbouwing gevonden voor de door betrokkene geclaimde toegenomen medische beperkingen binnen vier weken na 16 oktober 2003.

5.5. Nu er geen sprake is van toegenomen beperkingen komt de Raad tot het oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO. Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is overwogen komt de Raad tevens tot het oordeel dat evenmin is voldaan aan de wettelijke wachttijd van 52 weken, zodat het Uwv terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene per 13 november 2003 te herzien.

5.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.7. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

CVG