Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
09/2061 WAO + 10/90 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid. Verzoek om wraking van de behandelend rechter afgewezen. Inzage processtukken. Niet gebleken dat verzuimd is processtukken aan appellant toe te zenden. Anders dan appellant veronderstelt behoren verslagen van de beraadslagingen van de raadkamer niet tot de openbare stukken die voor partijen beschikbaar zijn. Geen aanleiding om pre-judiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Uit internationale verdragen vloeit niet voort dat de Raad in het kader van een hoger beroep een onderzoek dient te verrichten naar de interne gang van zaken bij een rechtbank of de daarop betrekking hebbende stukken dient op te vragen. Uitgaande van het door appellant niet weersproken standpunt van het Uwv dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op basis van een medische en arbeidskundige beoordeling vastgesteld dient te worden op 45-55%, kan het besluit van het Uwv in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2061 WAO

10/90 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2009, 08/507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2010. Bij die gelegenheid heeft appellant een verzoek tot wraking van de behandelend rechter gedaan. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst.

Bij uitspraak van 22 juli 2010 heeft de Raad het verzoek om wraking van de behandelend rechter afgewezen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 22 september 2010. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is per 24 juli 2000 in dienst getreden van [werkgever] als boekhouder met een arbeidsomvang van 15 uur per week. Op 28 november 2000 is appellant uitgevallen met chronische darmklachten. Na een ziekenhuisopname heeft appellant zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat en per einde wachttijd (28 november 2001) is zijn mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45-55%. Hij werkte twee maal 4 uur per week bij [werkgever] In de loop van 2004 heeft [werkgever] appellant thuiswerkzaamheden opgedragen van een enigszins andere aard dan zijn oorspronkelijke werkzaamheden. Deze werkzaamheden heeft appellant verricht van juni 2004 tot en met januari 2005. Appellant, het Uwv en [werkgever] zijn in overleg geweest om te bezien of appellant, met het oog op diens re-integratie en vanwege de afwezigheid van een adequate toiletvoorziening bij [werkgever], in aanmerking kon worden gebracht voor een thuiswerkvoorziening. Mede in dat verband heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 7 augustus 2007 is de uitkering van appellant die hij op grond van de WAO ontving, per 8 oktober 2007 beëindigd. De thuiswerkvoorziening is er uiteindelijk niet gekomen. Bij besluit van 11 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 augustus 2007 gegrond verklaard omdat bij de schatting van een onjuist criterium is uitgegaan en de thuiswerkvoorziening niet is gerealiseerd. Het besluit van 7 augustus 2007 is vervallen verklaard en een nieuw besluit is toegezegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzuimbegeleiding van appellant en de telewerkvoorziening buiten de omvang van het geding vallen en slechts ter beoordeling staat of het besluit van 11 januari 2008 in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het Uwv, door alleen het besluit van 7 augustus 2007 te herroepen en geen nieuw besluit te nemen, heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft ten onrechte niet beslist op het verzoek van appellant om schadevergoeding en proceskosten in bezwaar. De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om vergoeding van schade afgewezen omdat het Uwv nog moet beslissen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. In die nieuwe beslissing op bezwaar zal het Uwv tevens dienen te beslissen omtrent schadevergoeding en proceskosten in bezwaar. Het verzoek om vergoeding van proceskosten is door de rechtbank afgewezen om reden dat de door appellant gevraagde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Aan het Uwv is opgedragen het door appellant betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden in essentie herhaald. Deze komen er -samengevat- op neer dat de rechtbank (inter)nationale regelgeving heeft geschonden door het beroep te beperken, er twee afzonderlijke zaken onterecht gevoegd behandeld zijn, de feiten onjuist zijn vastgesteld, de re-integratiebemiddeling opgepakt dient te worden en het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van door appellant gestelde door hem geleden inkomensschade, immateriële schade alsmede vergoeding van proceskosten op basis van werkelijke kosten.

4. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan bij besluit van 7 oktober 2009 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 oktober 2007 ongewijzigd gesteld op 45-55%. Aan deze vaststelling ligt een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag. Het Uwv heeft ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding, die verband hield met het niet tot stand komen van de telewerkvoorziening, overwogen dat deze buiten de omvang van het geding lag en heeft dienaangaande een afzonderlijk schadebesluit toegezegd. Tevens is een afzonderlijk besluit met betrekking tot de wettelijke rente in verband met de nabetaling van de WAO-uitkering aan appellant toegezegd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Er was geen aanleiding om [werkgever] ter zitting op te roepen nu die geen partij is in dit geding, dan wel, voor zover appellant beoogt hem als getuige te laten horen, [werkgever] als getuige niets zou kunnen verklaren dat voor de beoordeling van dit geschil van belang zou kunnen zijn.

5.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de brieven van appellant van 7 respectievelijk 20 februari 2008 aangemerkt als beroepschrift tegen het bestreden besluit en heeft de daarin gedane verzoeken betrokken in de behandeling van het beroep. Ook de Raad is, in reactie op de stelling van appellant dat sprake zou zijn van twee afzonderlijke (beroeps)zaken, die gesplitst behandeld zouden moeten worden, met de rechtbank van oordeel dat sprake is van gronden, die zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2008. Voor zover vallend binnen de omvang van dit geding zal de Raad hierover een oordeel geven.

5.3. De grond van appellant die verband houdt met zijn re-integratierechten, valt buiten de omvang van dit geding nu hier slechts de vraag aan de orde is of het bestreden besluit dat handelt over de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 2007 in stand kan blijven, zodat verdere bespreking daarvan achterwege kan blijven. Dat appellant getracht heeft het Uwv een nieuw besluit te ontlokken aangaande de re-integratie door te protesteren tegen het bestreden besluit, doet hieraan niet af.

5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. De Raad stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd zoals vermeld in de aangevallen uitspraak onder 6 en 7 van de motivering.

5.5. Nu het nieuwe besluit van 7 oktober 2009 niet volledig tegemoet komt aan het beroep van appellant, dient de Raad het nieuwe besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in de procedure te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 11 januari 2008 wordt geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit.

5.6. De Raad overweegt met betrekking tot de stellingen van appellant aangaande de inzage van processtukken het volgende. Op grond van artikel 8:39 van de Awb worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan partijen gestuurd. Een afzonderlijke regeling met betrekking tot de inzage van processtukken in beroep kent de Awb, met uitzondering van artikel 8:39, tweede lid, niet en is voor een goed verloop van de procedure, gelet op dit artikel, ook niet nodig; partijen beschikken immers over alle processtukken. Inzage is op verzoek echter mogelijk. Met de mogelijkheid die appellant is geboden om zijn dossiers in Amsterdam in te zien, is zijn recht op een eerlijk proces niet geschonden. Voorts is niet gebleken dat verzuimd is processtukken aan appellant toe te zenden. Anders dan appellant veronderstelt behoren verslagen van de beraadslagingen van de raadkamer niet tot de openbare stukken die voor partijen beschikbaar zijn.

5.7. Appellant heeft tenslotte verwezen naar een veelheid van internationaalrechtelijke regels waaruit naar zijn mening volgt dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Daarbij verwijst appellant naar een hem toekomend (grond)recht op re-integratie. Zoals onder 5.3 is overwogen maakt dat gestelde recht geen onderdeel uit van dit geding. Deze gronden treffen dan ook geen doel. Daarom is er evenmin aanleiding om pre-judiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Tenslotte vloeit - anders dan door appellant wordt verondersteld - uit internationale verdragen niet voort dat de Raad in het kader van een hoger beroep een onderzoek dient te verrichten naar de interne gang van zaken bij een rechtbank of de daarop betrekking hebbende stukken dient op te vragen.

5.8. Uitgaande van het door appellant niet weersproken standpunt van het Uwv dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op basis van een medische en arbeidskundige beoordeling per 8 oktober 2007 vastgesteld dient te worden op 45-55%, kan het besluit van het Uwv in stand blijven.

5.9. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevochten en dat het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2009 ongegrond moet worden verklaard.

6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.9 is er geen aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade als door appellant gevorderd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2009 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get) H.G. Rottier.

(get) P. Boer.

IvR