Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
09-5673 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek dan niet volstaan. Het gesignaleerde gebrek niet afdoende in bezwaar hersteld. De Raad draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Beroepswet
Beroepswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/407
JB 2011/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5673 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 08/675 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellant was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. Betrokkene is, zoals zij had bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de overwegingen 4 en 5 van de aangevallen uitspraak.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van appellant van 22 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dient te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medische onderzoek in de primaire fase heeft plaatsgevonden door artsen die geen geregistreerde verzekeringsartsen zijn. Dit gebrek is tijdens de bezwaarschriftenprocedure door de bezwaarverzekeringsarts niet geheeld. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de rug- en bekkenklachten betrokkene had moeten onderzoeken. Voorts had de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de psychische aspecten niet mogen volstaan met een (oriënterend) onderzoek tijdens de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de inmiddels wel aanwezige informatie van de huisarts omtrent de psychische toestand van betrokkene niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen. Het betoog van de bezwaarverzekeringsarts dat de klachten zijn ontstaan na de datum in geding vindt de rechtbank onnavolgbaar omdat de klachten zijn ontstaan in november 2007, terwijl de datum in geding 20 januari 2008 is. De medische kant van de zaak is dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Ten slotte dient aanvullend onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige plaats te vinden.

3. Appellant heeft - middels het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 oktober 2009 - hiertegen aangevoerd dat in de primaire fase lichamelijk onderzoek is verricht door een arts. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts aangegeven dat er geen reden was om informatie op te vragen omdat betrokkene al lang niet meer onder behandeling is en dat er geen reden is om een deskundige te raadplegen. De door de huisarts gegeven informatie over de psychische toestand van betrokkene leidt niet tot het aannemen van meer beperkingen omdat geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis maar van een aanpassingsstoornis.

4. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek dan niet volstaan.

5.2. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet afdoende in bezwaar hersteld. Daartoe heeft in het bijzonder voor de Raad gewogen dat bij betrokkene gedurende lange tijd sprake is geweest van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, dat de artsen die betrokkene in de primaire fase hebben onderzocht aanvankelijk tot een andere conclusie kwamen met betrekking tot de urenbeperking en dat noch die artsen noch de bezwaarverzekeringsarts beschikten over informatie van behandelende artsen. De later door betrokkene overgelegde informatie van de huisarts duidt er voorts op dat bij betrokkene (ook nog) psychische klachten bestaan. Onder deze omstandigheden is het dossieronderzoek en het bijwonen van de hoorzitting door de bezwaarverzekeringsarts ontoereikend om het gebrek te herstellen.

5.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is van gebreken in de motivering van het besluit van appellant van 22 januari 2008. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat dit besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en daarom dit besluit ook terecht vernietigd.

5.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

5.5. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor aangeduide gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

KR