Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
08-4527 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanspraak op kinderbijslag. Kinderen behoorden niet tot het huishouden van appellant. Appellant heeft de kinderen in onvoldoende mate onderhouden. Svb heeft het buitenwettelijk, begunstigend beleid consistent toegepast. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, zich verzetten tegen toepassing van artikel 14a van de AKW met terugwerkende kracht.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 14a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/388
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4527 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Turkije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2008, 07/2390 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 8 september 2010 de Raad nog een nader stuk doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijstaan door mr. Niemer. Voorts was K. Manuelyan als tolk aanwezig. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 8 februari 2007 heeft de Svb appellant onder andere medegedeeld dat het recht op kinderbijslag voor zijn kinderen [Y.], geboren [in] 1983, [A.], geboren [in] 1988 en overleden [in] 2006, en [S.], geboren

[in] 1990, met terugwerkende kracht wordt herzien. Omdat genoemde kinderen niet tot zijn huishouden behoorden en appellant hen niet in belangrijke mate heeft onderhouden, heeft hij met ingang van het vierde kwartaal van 1996 geen aanspraak op kinderbijslag voor hen.

1.2. In een besluit van 27 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat uit verschillende rapportages van de Svb voldoende aannemelijk is geworden dat genoemde kinderen in ieder geval vanaf het vierde kwartaal van 1996 niet tot het huishouden van appellant behoorden. Appellant is er niet in geslaagd op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan de onderhoudseis heeft voldaan. Nu dringende redenen om van herziening af te zien niet waren aangevoerd, noch daarvan is gebleken, heeft de Svb in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

3. In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat hij, in ieder geval tot in 2005, wel één huishouden met zijn kinderen vormde. Ook heeft hij gesteld wel aan de onderhoudseis te hebben voldaan. Hij heeft aan zijn vrouw en kinderen een woning ter beschikking gesteld waarvoor geen huur betaald behoefde te worden, alsmede twee appartementen waarvoor huurinkomsten werden ontvangen. Tevens heeft zijn vrouw de pachtinkomsten ontvangen van een winkel die appellant in eigendom heeft. Daarnaast heeft hij contant geld overhandigd, dan wel goederen in natura. Ook heeft hij een aantal malen geld overgemaakt aan zijn vrouw.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij met genoemde kinderen in de kwartalen in geding één huishouden heeft gevoerd. Uit zijn eigen verklaring van 7 maart 2006 tegenover een vertegenwoordiger van de Attaché voor Sociale Zaken, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Ankara, blijkt dat hij in 1996 is verhuisd van [plaatsnaam], waar zijn eerste vrouw met genoemde kinderen woont, naar [plaatsnaam]. De afstand tussen genoemde plaatsen is naar het oordeel van de Raad dusdanig dat reeds daarom het hebben van één huishouden met zijn vrouw en kinderen niet aannemelijk is. Daarnaast heeft appellant verklaard in die periode hooguit eenmaal per week naar [plaatsnaam] te zijn gegaan. Dit alles bij elkaar genomen is onvoldoende om van één huishouden in de zin van de AKW te kunnen spreken.

4.2. Nu de kinderen niet tot het huishouden van appellant behoorden in de kwartalen in geding moet appellant op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aantonen dat hij genoemde kinderen in de kwartalen in geding in voldoende mate heeft onderhouden. Daarin is appellant, naar het oordeel van de Raad, niet geslaagd. Hoewel niet is uitgesloten dat de gestelde huur- en pachtopbrengsten, alsmede de huurvrijstelling voor de woning van de echtgenote van appellant, aangemerkt kunnen worden als bijdrage in het onderhoud van de kinderen van appellant, moet de Raad constateren dat er geen enkel gegeven is overgelegd waaruit deze opbrengsten blijken, laat staan de hoogte daarvan. Evenmin is enig bewijs geleverd voor de overhandiging van de gestelde contante bedragen of voor de goederen in natura. Daargelaten de vraag of voldoende bewijs is geleverd voor de ontvangst door de echtgenote van appellant van de, via een bankinstelling, overgemaakte bedragen, moet in ieder geval geconstateerd worden dat deze bedragen onvoldoende zijn om de onderhoudsbijdrage aan te tonen.

4.3. De vraag of de Svb terecht de aanspraak op kinderbijslag met volledig terugwerkende kracht heeft herzien beantwoordt de Raad bevestigend. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht. De Raad is van oordeel – in lijn met zijn uitspraak van 16 juli 2010 (LJN BN2197) met betrekking tot het met terugwerkende kracht herzien van een WAO-uitkering en het in dat kader door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gevoerde beleid – dat het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt dient te worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.4. De Raad is niet gebleken dat de Svb voormeld beleid niet consistent heeft toegepast. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn verhuizing van invloed zou zijn op zijn aanspraak op kinderbijslag. Voorts heeft de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat in het geval van appellant sprake is van een kennelijk onredelijke toepassing van artikel 14a van de AKW.

4.5. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in zijn geval ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, zich verzetten tegen toepassing van artikel 14a van de AKW met terugwerkende kracht.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht het besluit van 27 juli 2007 in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

KR