Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
07-4592 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Gelet op het geheel van de over appellant beschikbare medische gegevens, bieden deze - gemeten aan de vereiste objectieve maatstaf - onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat het standpunt van het Uwv, dat appellant op en na 22 januari 2001 niet wegens ziekte of gebrek buiten staat kan worden geacht om buiten het familiebedrijf te functioneren als directeur van een groothandel in sanitair en derhalve niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is, onjuist is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4592 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2007, 06/2670 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van den Oudenhoven, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009.

Omdat na sluiting van het onderzoek ter zitting naar het oordeel van de Raad bleek dat het onderzoek niet volledig is geweest, is dit heropend.

Bij brief van 26 november 2009 heeft de Raad enkele vragen aan de psychiater dr. M. Kazemier gesteld.

Dr. Kazemier heeft bij brief van 21 december 2009 gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen daarop hun commentaar gegeven, appellant bij brief van 8 februari 2010 en het Uwv door middel van een commentaar van bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders van 14 januari 2010.

De behandeling van het geding is voortgezet ter zitting van de Raad van 1 oktober 2010. Appellant is - met schriftelijke kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 februari 2001 is appellant met ingang van 22 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ) geweigerd op de grond dat appellant vanaf 24 januari 2000 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Hij wordt geschikt geacht voor zijn eigen werk als directeur in een groothandel in sanitair.

1.2. Bij besluit van 8 juni 2001 is het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2001 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 5 augustus 2002 (01/2616) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 juni 2001 ongegrond verklaard.

1.4. Bij zijn uitspraak van 24 augustus 2005 (02/4725) heeft de Raad - voor zover thans nog van belang - de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2002 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 8 juni 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad. De Raad is tot het oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat appellant de wachttijd van 52 weken niet heeft vervuld. Daarbij heeft de Raad het oordeel van de door hem ingeschakelde onafhankelijk medisch deskundige psychiater Kazemier gevolgd. Deze is in zijn rapport van 25 april 2005 tot de conclusie gekomen dat appellant vanaf 24 januari 2000 gedurende een periode van 52 weken onafgebroken dan wel met onderbrekingen die korter dan vier weken hebben geduurd, niet is staat is geweest zijn eigen arbeid te verrichten als gevolg van een aanpassingsstoornis.

2.1. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het Uwv appellant opnieuw een WAZ-uitkering geweigerd, thans op de - door bezwaarverzekeringsarts Lenders in zijn rapport van 12 december 2005 aangegeven - grond dat appellant per

22 januari 2001 (einde wachttijd) niet als gevolg van ziekte of gebrek beperkt kan worden geacht ten aanzien van het functioneren in arbeid buiten het eigen bedrijf.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 april 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank bestreden. Betoogd is dat psychiater Kazemier weliswaar heeft geconcludeerd dat appellant elders uiteraard wel gebruik zou kunnen maken van zijn vaardigheden, hij heeft echter niet aangegeven welke beperkingen daarvoor dienen te gelden en welke functies geschikt voor appellant zouden zijn. Appellant is van mening dat het Uwv ten onrechte geen Functionele Mogelijkheden Lijst heeft opgesteld.

3.2. Zoals hiervoor in rubriek I van deze uitspraak is vermeld heeft de Raad aanleiding gezien de eerder door hem ingeschakelde deskundige Kazemier nader te bevragen over de medische situatie van appellant per einde wachttijd

(22 januari 2001).

3.3. In zijn brief van 21 december 2009 antwoordt Kazemier onder meer als volgt:

“Het blijft echter de vraag of betrokkene ziek werd alleen door de confrontatie met zijn falen in zijn eigen bedrijf of dat dit zijn falen in algemene zin betrof. In die tijd was er, naar ik begrijp, sprake van een vrij aanzienlijke verzwaring in administratieve en economische zin alsook bedrijfsmatig, wat een groot beroep heeft gedaan op zijn aanpassingsvermogen. Daarin is hij tijdelijk overbelast geweest en bij het wegvallen van die belasting c.q. stress kon herstel volgen. Wat echter zich waarschijnlijk niet hersteld heeft, is zijn veerkracht, bovengenoemde resilience. Het zal de ervaring daarmee zijn die zijn angst voor werkhervatting provoceert.

Als gevraagd wordt of betrokkene op en na 22 januari 2001 in staat geacht kon worden zijn eigen werk als directeur van een groothandel in sanitair in een ander bedrijf volledig uit te oefenen, dan moet worden gesteld dat dit naar alle waarschijnlijkheid hem niet gelukt zou zijn door gebrek aan veerkracht. Deze veerkracht is bij betrokkene kennelijk afgenomen, wat gedeeltelijk het gevolg kan zijn van een normale, bij zijn leeftijd passende involutie, maar daarnaast zal ook het falen in zijn eigen bedrijf en in mindere mate misschien ook de levenslange last van een klompvoet hebben bijgedragen in negatieve zin. Door dit gebrek aan veerkracht zal hij naar alle waarschijnlijkheid niet meer hebben kunnen functioneren met dezelfde capaciteit als toen hij op de toppunt van zijn vermogens stond in een leidinggevende functie met eindverantwoordelijkheid. Dit is echter geen argument waarom hij niet zou kunnen functioneren op grond van zijn verworven vaardigheden in economische zin.”

3.4. Appellant heeft in zijn reactie van 8 februari 2010 laten weten van mening te blijven dat het Uwv hem per einde wachttijd ten onrechte slechts situationeel, maar niet medisch arbeidsongeschikt heeft geacht.

3.5. Het Uwv persisteert bij zijn in het bestreden besluit neergelegde opvatting en acht de door Kazemier naar voren gebrachte beperkte veerkracht een onvoldoende argument om appellant op en na 22 januari 2001 niet in staat te achten om buiten het familiebedrijf te functioneren als directeur van een groothandel in sanitair.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In artikel 2 van de WAZ is, voor zover hier van belang, bepaald dat arbeidsongeschikt is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Onder de maatgevende arbeid dient in dit geval te worden verstaan de functie van directeur in een groothandel in sanitair voor 55 uur per week.

4.2. De Raad onderkent de situationele omstandigheden van appellant. Gelet echter op het geheel van de over appellant beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van psychiater Kazemier, maar ook de verzekeringsgeneeskundige rapporten, de expertise van psychiater J.H.M. van Laarhoven van 31 januari 2001 en de

(contra-)expertise van psychiater E.F. van Ittersum van 7 maart 2002, bieden deze - gemeten aan de vereiste objectieve maatstaf - onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat het standpunt van het Uwv, dat appellant op en na 22 januari 2001 niet wegens ziekte of gebrek buiten staat kan worden geacht om buiten het familiebedrijf te functioneren als directeur van een groothandel in sanitair en derhalve niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is, onjuist is te achten.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

TM