Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
09-6863 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.Voor het aannemen van verdere beperkingen biedt het geheel van de beschikbare medische verklaringen en rapporten niet voldoende geobjectiveerde medische aanknopingspunten. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 mei 2008 overtuigend is beargumenteerd dat appellant deze functies kan vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6863 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 november 2009, 08/2050 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mauritz. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving ten tijde van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2005, een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsarts appellant op 8 augustus 2008 onderzocht en nadat hij informatie heeft verkregen van de huisarts en van Altrecht (Centrum angst- en stemmingsstoornissen), de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid op 26 oktober 2007 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidskundige heeft op 2 november 2007 met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geduid en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per vier weken na 28 oktober 2005 (Amber) vastgesteld op 35 tot 45%.

1.2. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het Uwv aan appellant per 25 november 2005 de WAO-uitkering herzien naar 80% of meer (omdat de beoordeling zo lang op zich had laten wachten).

2.1. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering per 11 juni 2008 herzien naar 35 tot 45%.

2.2. Bij besluit van 17 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat met de klachten van appellant voldoende rekening is gehouden.

Voor het aannemen van verdere beperkingen biedt het geheel van de beschikbare medische verklaringen en rapporten niet voldoende geobjectiveerde medische aanknopingspunten. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat niet is voldaan aan de daartoe door verweerder gehanteerde, in de Standaard ‘verminderde arbeidsduur’ neergelegde, criteria. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door de behandelend psycholoog en psychiater bij brief van

11 juni 2008 verstrekte informatie betrokken bij de heroverweging en ter zitting is door het Uwv toegelicht dat de verwijzing naar de pijnpoli moet worden opgevat als de vaststelling dat er in neurologisch opzicht geen sprake is van afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts is eveneens ingegaan op de beperkingen als gevolg van astma in zijn rapport van 17 juni 2008.

De rechtbank ziet geen redenen om een deskundige te benoemen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat appellant de functies sorteerder/controleur (sbc-code 111340), huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), niet zou kunnen vervullen.

Zij verwijst naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 november 2007.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep ingenomen standpunt in essentie herhaald. Appellant is van mening dat zijn psychische en lichamelijke situatie zodanig is dat hij niet belastbaar is voor arbeid en voor zover dit toch mogelijk zou zijn maximaal 2 uur per dag. Hij verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. Ten aanzien van deze beroepsgronden is de Raad van oordeel dat de rechtbank deze afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne. Ten aanzien van de door appellant eerst op 8 oktober 2010 overgelegde gegevens van oefentherapeute Cesar H. Jentjens van 29 juli 2010, neuroloog J.I. Hoff van 3 mei 2010, anesthesioloog W.J. Hofsté van

21 september 2010 en de eindrapportage van Salto van 29 maart 2010, heeft het Uwv ter zitting afdoende gemotiveerd aangegeven dat uit deze tamelijk recente stukken niet blijkt dat er op de datum in geding sprake is van medisch objectiveerbare klachten die kunnen leiden tot het vaststellen van meer beperkingen op de FML. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad evenals de rechtbank dat in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 mei 2008 overtuigend is beargumenteerd dat appellant deze functies kan vervullen.

5.3. De Raad ziet gelet op het in 5.2 overwogene onvoldoende reden voor de twijfel die nodig is om een onafhankelijke deskundige te raadplegen.

5.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG