Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
10-229 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen aanleiding om de medische beoordeling onzorgvuldig of onjuist te achten. Appellante wordt in staat geacht om de voorgehouden functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/229 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 december 2009, 09/2854 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellante was vertegenwoordigd door mr. El Ahmadi. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 november 2008 heeft het Uwv, naar aanleiding van de melding van appellante op 20 oktober 2008 van toegenomen arbeidsongeschiktheid de WAO-uitkering, van appellante per 21 januari 2009 bëeindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op die datum minder dan 15% bedraagt.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 10 maart 2009 heeft het Uwv het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 maart 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat zij geen aanleiding ziet om de medische beoordeling onzorgvuldig of onjuist te achten. Nu haar niet is gebleken van een door appellante gestelde verergering van het ziektebeeld, heeft zij geen aanleiding gezien tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Voorts is zij van oordeel dat de arbeidsdeskundige afdoende heeft toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht om de voorgehouden functies te verrichten.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar klachten wel degelijk zijn toegenomen en heeft hiertoe verwezen naar de brief van de haar behandelende psychiater, K. Gokoel, van 22 december 2009.

2.2. Het Uwv heeft hierin geen aanleiding gezien om het medisch oordeel bij te stellen.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de in eerste aanleg aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. De in hoger beroep ingediende informatie van Gokoel, voornoemd, werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de medische beperkingen van appellante op de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts heeft de opvatting van Gokoel omtrent de gezondheidssituatie van appellante zoals neergelegd in de brief, gedateerd 10 december 2008 betrokken bij de medische beoordeling van de klachten van appellante. Gokoel stelde in die brief dat appellante (onder andere) last had van stemmingsklachten. Dat Gokoel na onderzoek op 11 november 2009 op dat moment tevens de diagnose depressieve stoornis heeft gesteld, doet aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding,

21 januari 2009, niet af.

3.2. Ten aanzien van de voorgehouden functies van inpakker, sorteerder en productiemedewerker voedingsmiddelen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat afdoende is toegelicht door de arbeidsdeskundige bij rapportage van

27 februari 2009 dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen, gelet op haar functionele mogelijkheden, zoals deze zijn vastgesteld bij de FML van 10 november 2008.

3.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG