Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
10-496 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering berust op goede gronden. Toereikend medisch onderzoek. De beschikbare objectieve medische gegevens geven geen aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de medische grondslag. Geen grond meer voor het aannemen van een urenbeperking. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/496 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 08/2358 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van

13 januari 2010 overgelegd.

Namens betrokkene heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer. Betrokkene is (zoals vooraf aangekondigd) niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Na een verkeersongeval op 31 december 1993 is betrokkene uitgevallen met whiplashklachten voor haar voltijdse werkzaamheden als verkoopster in een warenhuis. In aansluiting op het einde van de wachttijd is betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering toegekend, die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 20 februari 2008 heeft appellant de ingevolge de WAO aan betrokkene toegekende uitkering herzien en - op basis van een theoretische schatting - met ingang van 17 april 2008 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

1.3. Het door betrokkene tegen het besluit van 20 februari 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: besluit op bezwaar) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met de opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met een aanvullende beslissing inzake griffierecht en proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene is aangeduid als eiseres, het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat voor eiseres sinds het jaar 1995 steeds een urenbeperking heeft gegolden. Door de bezwaarverzekeringsarts is gemotiveerd dat hij geen aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking ziet aangezien neuroloog Kuster in het rapport van 14 september 1998 geen melding maakt van een urenbeperking of beperkingen in samenhang met energieverlies. Deze motivering acht de rechtbank onbegrijpelijk nu eiseres op basis van dezelfde informatie de urenbeperking in het verleden wel steeds heeft behouden. Uit de stukken is verder niet af te leiden dat de medische situatie van eiseres is verbeterd. Daarnaast constateert de rechtbank dat er sinds het jaar 1995 steeds een beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik van eiseres heeft gegolden. Aangezien uit de medische stukken naar voren komt dat deze klachten consistent zijn en uit de stukken niet is af te leiden dat de medische situatie van eiseres is verbeterd had de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank nader dienen te motiveren waarom de beperking ten aanzien van hand- en vingergebruik thans niet meer geldt. De toelichting van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 20 augustus 2008 dat er geen objectiveerbare beperkingen zijn gevonden op dit punt volstaat niet. Immers in het verleden was hiervan ook geen sprake. Nu een nadere motivering voor het niet langer aannemen van een urenbeperking en een beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik van eiseres ontbreekt moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag is gebaseerd.”.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderbouwing van het vervallen van de eerder aangenomen urenbeperking onbegrijpelijk is en voorts tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet aannemen van een beperking ten aanzien van hand- en vingergebruik onvoldoende is onderbouwd.

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank geschaard.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Allereerst is naar het oordeel van de Raad geenszins onbegrijpelijk dat de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer in zijn rapportage van 4 juni 2008 voor de onderbouwing van de vaststelling dat er geen grond (meer) is voor het aannemen van de eerder gehanteerde urenbeperking onder meer heeft verwezen naar een rapport van neuroloog J.A.M. Kuster van

14 september 1998. Dit rapport, dat is opgesteld in het kader van de afwikkeling van een letselschadezaak van betrokkene, is namelijk niet eerder dan op 2 mei 2008 aan appellant ter beschikking gesteld. Verder is het oordeel van de rechtbank dat er sinds het jaar 1995 steeds een beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik van eiseres heeft gegolden feitelijk onjuist. Uit het Formulier Functie Informatie Systeem van 3 november 1997 dat ten grondslag ligt aan de eerstejaars herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, blijkt dat betrokkene toen al niet meer beperkt belastbaar is geacht ten aanzien van hand- en vingergebruik.

4.3. Uit het onder 4.2 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Een terugwijzing van het beroep van betrokkene naar de rechtbank acht de Raad niet aangewezen. De Raad zal het beroep van betrokkene beoordelen en afdoen.

4.4. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval door appellant toereikend medisch onderzoek is verricht en dat het geheel van de omtrent betrokkene beschikbare objectieve medische gegevens geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de medische grondslag waarop het besluit op bezwaar rust. Verder heeft appellant naar het oordeel van de Raad toereikend gemotiveerd waarom er anno 2008 geen grond meer is voor het aannemen van een urenbeperking. In dit verband wijst de Raad erop dat de toestand van betrokkene in de primaire fase en ook daarna uitvoerig is getoetst aan het aangepaste Schattingsbesluit en de criteria van de Standaard verminderde arbeidsduur. Daarbij verwijst de Raad met name naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 4 juni 2008. Niet is gebleken dat betrokkene op de datum in geding (nog) te kampen had met een ernstige aandoening van whiplash die een fors energieverlies geeft of met in aanmerking te nemen beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik. Betrokkene heeft de stelling dat appellant haar medische beperkingen onderschat in beroep niet met objectieve medische gegevens onderbouwd.

4.5. De in bezwaar namens betrokkene aangevoerde arbeidskundige gronden zijn in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van 1 september 2008 toereikend besproken. In beroep en hoger beroep zijn namens betrokkene geen specifieke afzonderlijke arbeidskundige gronden ingediend. De Raad ziet in de beschikbare gegevens, waaronder met name genoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind, geen grond om te oordelen dat de aan betrokkene voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zijn. Niet betwist is dat met de verdiencapaciteit op basis van deze functies de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op 17 april 2008, de datum in geding, 14,51% is. Derhalve is betrokkene met een indeling per die datum in arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% geenszins tekort gedaan.

4.6. De Raad concludeert op grond van het voorgaande dat het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

TM