Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
08-7380 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Oplegging maatregel. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 november 2008, 08/350 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 september 2010. Partijen - het College met bericht - zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 16 februari 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding op 20 april 2006, inhoudende dat appellante sinds anderhalf jaar werkzaam zou zijn bij een Turkse bakker, heeft de Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Breda, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 oktober 2006.

1.3. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 12 juni 2007, voor zover van belang, de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2004 tot en met 30 september 2006 te herzien, de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.199,47 van haar terug te vorderen en de bijstand van appellante bij wijze van maatregel gedurende een maand met € 600,-- te verlagen wegens het niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting.

1.4. Bij besluit van 4 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2007 in zoverre gegrond verklaard, dat de kosten van bijstand over het jaar 2006 netto worden teruggevorderd en dat de maatregel wordt teruggebracht tot een bedrag van € 300,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 december 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank stelde eerst vast dat appellante ter zitting haar beroep tegen de maatregel heeft ingetrokken, zodat in beroep slechts de herziening van de bijstand over de periode van 1 december 2004 tot en met 30 september 2006 en de terugvordering van de kosten van bijstand over die periode voorlag.

De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel verworpen en is tot het oordeel gekomen dat het College bevoegd was tot herziening en terugvordering van de over genoemde periode te veel betaalde bijstand. De rechtbank zag in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien en evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van het beleid inzake herziening en terugvordering had moeten afwijken.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van het onder 2 vermelde oordeel van de rechtbank bestreden. Zij betwist dat het beroep tegen de maatregel ter zitting van de rechtbank is ingetrokken. Appellante handhaaft het beroep op het vertrouwensbeginsel en is van mening dat de rechtbank een verkeerde interpretatie van dat beginsel heeft gegeven. Daarnaast meent zij dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan terugvordering in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar het oordeel van de Raad biedt het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling van de rechtbank dat appellante het beroep tegen de maatregel ter zitting heeft ingetrokken. De opvatting van appellante dat het wegens de koppeling van de hoogte van de maatregel aan de hoogte van de terugvordering onlogisch is dat dit beroep zou worden ingetrokken, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De conclusie is dan ook dat de rechtbank de omvang van het geding in beroep juist heeft vastgesteld.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. In dit verband verwijst de Raad in de eerste plaats naar de overwegingen van de rechtbank, die hij onderschrijft. Daaraan voegt de Raad toe dat naar vaste rechtspraak een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan haar toezeggingen als hiervoor aangeduid zijn gedaan. Ook de rapportage van de bijstandsconsulente van 17 februari 2005 biedt hiervoor geen aanknopingspunt. Daarin is, voor zover van belang, slechts vermeld dat appellante in een gesprek in het kader van een herbeoordeling heeft verteld dat zij zelf werk voor 12 uur per week had gevonden, en dat de consulente voorstelt de vrijlatingsregeling voor een half jaar toe te passen. Hieraan heeft appellante niet een in rechte te honoreren verwachting kunnen ontlenen dat zij op de inkomstenverklaringen en heronderzoeksformulieren haar inkomsten uit arbeid niet hoefde op te geven en dat zij deze inkomsten mocht houden.

4.3. In de door appellante genoemde omstandigheden, waaronder het feit dat haar ex-echtgenoot een forse schuld heeft gecreëerd, vervolgens met onbekende bestemming is vertrokken en haar met de schuld heeft achtergelaten, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het beleid van het College om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien dan wel bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dat beleid zou moeten afwijken.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.C.P. Venema en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) K. Moaddine.

RB