Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/1095 WWB + 09/1095 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1095 WWB

09/1096 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 januari 2009, 08/203 en 08/204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Skála, advocaat te Haren, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Skála en door [A.B.]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn gehuwd geweest van 16 december 1966 tot 25 september 2001. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren. Vanaf 4 oktober 2001 ontvangt appellante bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande. In de periode van 6 april 1971 tot 20 augustus 2001 stond appellante geregistreerd op het adres [adres 1] te Groningen. Aansluitend stond appellante geregistreerd op het adres [adres 2] te Groningen. Appellant stond vanaf 6 april 1971 geregistreerd op het adres [adres 1] te Groningen.

1.2. Naar aanleiding van een melding van de Sociale Verzekeringsbank in november 2006 dat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar voormalige echtgenoot, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld, onder meer bestaande uit dossieronderzoek, het opvragen van informatie met betrekking tot het verbruik van gas, water en elektriciteit op de adressen [adres 2] en [adres 1], een aantal waarnemingen bij de woning van appellante, het verhoor van appellanten, een huisbezoek op het adres van appellante en een buurtonderzoek. Bij dat buurtonderzoek zijn bewoners van woningen in de directe omgeving van de woning van appellante gehoord en is een bewoner van een woning in de directe omgeving van de woning van appellant gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van de sociale recherche van 25 mei 2007.

1.3. Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 19 juni 2007 de bijstand van appellante vanaf 1 april 2003 ingetrokken op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant, waarvan zij aan het College geen opgave heeft gedaan. Bij dat besluit heeft het College tevens de over de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2007 gemaakte kosten van algemene bijstand tot een bedrag van € 34.093,80 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het College de over de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2007 ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 34.093,80 mede van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 17 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard. Voorts heeft het College bij besluit van eveneens 17 januari 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2007 ongegrond verklaard. Blijkens de besluiten op bezwaar heeft het College zich onder meer op het standpunt gesteld dat appellant in de gehele van belang zijnde periode zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de beide besluiten van 17 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de sociale recherche van 25 mei 2007, de getuigenverklaringen en de waarnemingen en observaties een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Ten aanzien van het waterverbruik van appellant heeft de rechtbank geoordeeld dat het uitgesloten moet worden geacht dat appellant in de in geding zijnde periode in zijn woning aan de [adres 1] zijn hoofdverblijf heeft gehad, nu het waterverbruik in die periode extreem laag was. De door appellant gegeven verklaringen voor dit lage waterverbruik heeft de rechtbank onvoldoende redengevend geacht om aan te nemen dat appellant wel zijn hoofdverblijf had in zijn woning aan de [adres 1].

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich samengevat op het standpunt dat de rechtbank onvoldoende betekenis toekent aan de door appellant gegeven verklaringen met betrekking tot zijn waterverbruik. Naar de mening van appellanten heeft het College in strijd gehandeld met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door het onderzoek te beperken tot de voor appellanten belastende feiten en geen onderzoek te doen naar mogelijke ontlastende omstandigheden. Zij hebben in dit kader verwezen naar door hen ingebrachte verklaringen van de dochter van appellant en een bewoner van een woning in de directe omgeving van de woning van appellant aan de [adres 1]. Met betrekking tot de door de sociale recherche in het kader van het onderzoek gehoorde getuigen hebben appellanten opgemerkt dat niet alle getuigen vanuit hun perceel zicht hadden op de woning van appellante. Bovendien hebben zij twijfels geuit aan het betrouwbaarheidsgehalte van de verklaringen van getuigen die - blijkens de door appellanten overgelegde processen-verbaal - niet op goede voet stonden met appellanten. Ten slotte heeft het College, indien van een gezamenlijke huishouding moet worden uitgegaan, bij de terugvordering ten onrechte geen betekenis toegekend aan het feit dat appellanten ten tijde in geding in aanmerking kwamen voor een uitkering naar de norm voor gehuwden.

4.1. De Raad komt ten aanzien van de intrekking van de bijstand van appellante per 1 april 2003 op de grond dat zij in deze periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt vast dat het College de intrekking in het primaire besluit van 19 juni 2007 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2003 tot en met 19 juni 2007.

4.3. In artikel 3, derde lid en vierde lid, aanhef en onder b, van de (over de periode van 1 april 2003 tot 1 januari 2004 van toepassing zijnde) Algemene bijstandswet (Abw) en in het overeenkomstige (vanaf 1 januari 2004 van toepassing zijnde) artikel 3, derde lid en vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd. Dit houdt in dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Een onderzoek naar het zogeheten zorgcriterium (de beoordeling van de wederzijdse zorg) hoeft dan niet te worden verricht. Gelet op de uit het huwelijk van appellante en appellant geboren kinderen dient voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de periode hier in geding op grond van genoemd onweerlegbaar rechtsvermoeden vast komen te staan dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009, LJN BH2580, en de uitspraak van de Raad van 15 juni 2010, LJN BM8024, neemt de Raad hierbij in aanmerking dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is ongeacht de leeftijd van de (uit de relatie) geboren kinderen.

4.4. Anders dan appellanten, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen in het rapport van 25 mei 2007 voldoende grondslag bieden voor het aannemen van gezamenlijk hoofdverblijf gedurende de periode in geding van appellant en appellante op het adres van appellante. Reeds de verklaringen afgelegd door [A.B.] op 10 en 16 mei 2007 en de verklaring van [C.D.], afgelegd op 10 mei 2007, zijn naar het oordeel van de Raad voldoende concreet en gedetailleerd voor het aannemen van gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad merkt daarbij op dat aan het gebruik van deze verklaringen niet de door appellanten genoemde bezwaren kleven. [A.B.] bewoonde - ten tijde in geding - de woning direct naast de woning van appellante. Daarnaast behoren [A.B.] en [C.D.] niet tot de groep bewoners van het complex Bruilweering met wie appellanten geen goede verstandhouding hebben.

4.5. Voorts is naar het oordeel van de Raad ondersteunend bewijs aanwezig in de bevindingen van het huisbezoek van de woning van appellante op 10 mei 2007. In de woning van appellante werden onder meer aangetroffen ondergoed, een broek en een trui van appellant, alsmede een aan hem geadresseerd poststuk. Met de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat de verbruikscijfers van water, gas en elektriciteit van de woning van appellant ten tijde in geding een sterke aanwijzing vormen dat hij in die periode daar niet zijn hoofdverblijf heeft gehad. Het waterverbruik was in die periode met omstreeks 0 tot 1 m³ per jaar extreem laag gezien het feit dat het gemiddelde verbruik voor een eenpersoonshuishouden 52 m³ per jaar is. Het gas- en elektriciteitsverbruik op dat adres bedroeg per jaar gemiddeld 174 kWh en 216 m³. Dat is duidelijk beneden gemiddeld te noemen, waar het gemiddelde elektriciteits- en gasverbruik voor een dergelijke woning en één persoon is vastgesteld op 1800 kWh en 1700 m³ per jaar.

De verklaringen van appellant dat hij zich elders douchte, elders de was deed, voor het doorspoelen van zijn toilet gebruik maakte van regenwater en zijn stortbak daaraan had aangepast, zijn naar het oordeel van de Raad ontoereikend voor de conclusie dat hij ondanks het extreme lage waterverbruik zijn hoofdverblijf zou kunnen hebben in de woning aan de Paterswoldseweg. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van regentonnen en aanpassing aan de stortbak kon daarom achterwege blijven.

4.6. Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat het College niet gehouden was om verdergaand onderzoek te verrichten. De Raad merkt daarbij op dat aan artikel 6 van het EVRM geen grondslag voor verdergaand onderzoek door het College kan worden ontleend, reeds omdat dit artikel niet ziet op het door een bestuursorgaan te verrichten onderzoek.

4.7. Hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen betekent dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode van 1 april 2003 tot en met 19 juni 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft daarvan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting bij het College geen melding gemaakt. Als gevolg daarvan is aan haar vanaf 1 april 2003 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Appellante was immers geen zelfstandig subject van bijstand.

4.8. Hetgeen onder 4.4 tot en met 4.7 is overwogen betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de bijstand met ingang van 1 april 2003 in te trekken. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is in hoger beroep niet bestreden.

4.9. Met betrekking tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag overweegt de Raad dat, nu is komen vast te staan dat appellante tekort is geschoten in haar wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, het College in beginsel met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de over de betrokken periode gemaakte kosten volledig terug te vorderen. Het is dan aan appellante om aannemelijk te maken dat haar, als zij haar verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor een echtpaar over die periode zou zijn verstrekt. De door appellante aangedragen gegevens bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om aan te nemen dat de inkomsten van appellant minder hebben bedragen dan het normbedrag dat voor haar en appellant zou zijn gehanteerd indien appellante op correcte wijze aan haar inlichtingenverplichting had voldaan.

4.10. Gezien het voorgaande is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot medeterugvordering van appellant van de gemaakte kosten van bijstand.

4.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.C.P. Venema en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) K. Moaddine.

HD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.