Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/4914 ALGEM + 09/5062 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b, van het Premiebesluit arbeidsovereenkomsten ter registratie aan het Uwv heeft voorgelegd. De voorlegging van de arbeidsovereenkomsten heeft in elk geval niet eerder dan op 9 januari 2007 plaatsgevonden, hetgeen betekent dat de jaren 2004 en 2005 buiten het toepassingsbereik van artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit vallen. Daarmee staat ook vast dat betrokkene met de in het besluit van 11 maart 2008 toegepaste premiereductie over het loon van de werknemer niet tekort is gedaan. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4914 ALGEM

09/5062 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[de B.V. ], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 juli 2009, 08/396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv

Datum uitspraak: 4 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Voor betrokkene zijn verschenen E. Driessen, A. ter Harmsel en T.G. Schotpoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Stoop.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij brief van 6 november 2006 heeft betrokkene bij het Uwv een verzoek ingediend om haar met toepassing van artikel 2, aanhef en onder c, van de bij het Mandaatsbesluit BV TAB, Risicogroep Agrarische Bedrijven behorende richtlijnen (hierna: mandaatbesluit) voor een aantal nader genoemde werknemers in aanmerking te doen komen voor een gereduceerde wachtgeldpremie als bedoeld in artikel 3 van het Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB (hierna: premiebesluit). Het verzoek heeft betrekking op de jaren 2004 en 2005.

1.2. Blijkens een brief van 9 januari 2007 heeft betrokkene ter ondersteuning van haar verzoek arbeidsovereenkomsten overgelegd.

1.3. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het Uwv het verzoek van betrokkene afgewezen op de grond dat betrokkene de arbeidsovereenkomsten niet tijdig ter registratie aan het Uwv heeft voorgelegd. Daarbij is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomsten eerst op 20 maart 2007 door het Uwv zijn ontvangen.

1.4. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 5 november 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard voor zover dat betrekking had op de afwijzing van het verzoek van betrokkene om over het loon van de werknemer [naam werknemer] over 2005 de gereduceerde wachtgeldpremie toe te passen. Met betrekking tot de overige werknemers heeft het Uwv geen aanleiding gezien om betrokkene in aanmerking te laten komen voor deze premie.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd met opdracht aan het Uwv een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij is vastgesteld dat een aantal van de door betrokkene overgelegde arbeidsovereenkomsten niet voldoen aan de in artikel 3, aanhef en onder a, van het premiebesluit gestelde voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dient te zijn aangegaan. Daarbij heeft betrokkene aangevoerd dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de door betrokkene ter zake overgelegde verklaringen op grond waarvan - naar haar oordeel - vastgesteld kan worden dat feitelijk sprake was van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Voorts acht betrokkene het onjuist dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over het recht van betrokkene op premierestitutie over het jaar 2004.

3. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen de gegrondverklaring van het beroep en en de vernietiging van het besluit van 11 maart 2008. Daarbij heeft het Uwv aangevoerd dat de premierestitutie op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit blijkens dit artikel niet verder wordt toegepast dan ten aanzien van het lopende en het daaraan onmiddellijk voorafgaande kalenderjaar. Nu betrokkene eerst op 20 maart 2007 arbeidsovereenkomsten ter registratie heeft voorgelegd, vallen de jaren 2004 en 2005, waarvoor premiereductie is gevraagd, volgens het Uwv buiten het toepassingsbereik van artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit. Het Uwv heeft daarbij opgemerkt niet te zullen terugkomen op zijn besluit om betrokkene over het jaar 2005 met betrekking tot het loon van [naam werknemer] in aanmerking te brengen voor premiereductie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 85, eerste lid (oud), van de Werkloosheidswet (WW) wordt het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bepaald op een percentage van het loon van de werknemer dat voor verschillende categorieën van werkgevers en van werknemers kan verschillen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.

4.2. Op grond van artikel 2 van het Premiebesluit stelt het bestuur jaarlijks het percentage, als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de WW vast. Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het premiebesluit heeft de werkgever recht op een gereduceerde premie indien met de werknemer is overeengekomen dat hij in een vast dienstverband voor onbepaalde tijd, gedurende ten minste zes uur per week werkzaam zal zijn. Om in aanmerking te komen voor deze gereduceerde premie dient op grond van artikel 3, aanhef en onder b, van het Premiebesluit binnen een bepaalde termijn een schriftelijke door werknemer en werkgever ondertekende arbeidsovereenkomst ter registratie aan de bedrijfsvereniging (lees: het Uwv) te zijn voorgelegd.

4.3. Op grond van artikel 7 van het Premiebesluit behoudt het bestuur zich het recht voor om in gevallen, waarin niet is voldaan aan de in artikel 3 gestelde vereisten niettemin de premie genoemd in artikel 3 in rekening te brengen, indien de omstandigheden naar het oordeel van het bestuur daartoe aanleiding geven.

4.4. Het bepaalde in artikel 7 van het premiebesluit heeft zijn beslag gekregen in de bij het mandaatbesluit behorende richtlijnen. In artikel 2 van bedoelde richtlijnen is onder punt 2 een gedragslijn bij te late voorlegging ter registratie respectievelijk te late kennisgeving van continuering neergelegd. Artikel 2, aanhef en onder c, van de richtlijnen geeft onder de daarin genoemde voorwaarden recht op een premiereductie met terugwerkende kracht met dien verstande dat de gereduceerde premie niet verder wordt toegepast dan ten aanzien van het lopende en het daaraan onmiddellijk voorafgaande kalenderjaar.

4.5. Allereerst ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of betrokkene - gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit - met betrekking tot de kalenderjaren 2004 en 2005 nog in aanmerking kan komen voor een premiereductie.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

4.6. Vaststaat dat betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b, van het Premiebesluit arbeidsovereenkomsten ter registratie aan het Uwv heeft voorgelegd. Voor deze gevallen bevat artikel 2 van het Mandaatbesluit een gedragslijn. Omdat deze gedragslijn een uitzondering vormt op de regel dat arbeidsovereenkomsten tijdig voorgelegd dienen te worden, dient voor de vaststelling van de periode waarover het toepassingsbereik van artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit zich uitstrekt aansluiting te worden gezocht bij de datum waarop deze voorlegging (alsnog) heeft plaatsgevonden. In het onderhavige geval heeft de voorlegging van de arbeidsovereenkomsten in elk geval niet eerder dan op 9 januari 2007 plaatsgevonden, hetgeen betekent dat de jaren 2004 en 2005 buiten het toepassingsbereik van artikel 2, aanhef en onder c, van het Mandaatbesluit vallen. Daarmee staat ook vast dat betrokkene met de in het besluit 11 maart 2008 toegepaste premiereductie over het loon van [naam werknemer] niet tekort is gedaan.

4.7. Uit vorenstaande volgt dat de in hoger beroep aangevoerde grieven van betrokkene onbesproken kunnen blijven. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en C. van Viegen en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J. de Jong.

NK