Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
10-637 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering bijstand. Gezamenlijk huishouding. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/637 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 december 2009, 09/737 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. van Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaand door mr. Van Achten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blom, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De heer [A.] (hierna: [A.]) ontving sinds 15 december 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 april 2007 is de bijstand van [A.] met ingang van 1 januari 2005 ingetrokken op de grond dat hij heeft nagelaten aan het College te melden dat hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 februari 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante en werkzaamheden heeft verricht, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij dat besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot 1 maart 2007 tot een bedrag van € 32.536,40 van [A.] teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van eveneens 12 april 2007 heeft het College de ten behoeve van [A.] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 februari 2007 met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB tot een bedrag van € 32.536,40 mede van appellante teruggevorderd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 31 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen, als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en [A.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat de verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven omdat [A.] van deze gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan en hij derhalve de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Evenmin is in geschil dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB en dat het College bevoegd was het bedrag van de ten onrechte aan [A.] betaalde bijstand tot een bedrag van € 32.536,40 mede van appellante terug te vorderen.

4.3. In de door appellante genoemde omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat zij vanwege de psychische gesteldheid van [A.] wederom met hem is gaan samenwonen, het feit dat het College op grond van dringende redenen met ingang van 1 april 2009 heeft afgezien van verdere terugvordering van [A.] en het risico op suïcide bij [A.], wanneer appellante jegens hem een civielrechtelijke procedure zou starten, ziet de Raad met de rechtbank geen dringende redenen als bedoeld in het beleid van het College om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien dan wel bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dat beleid zou moeten afwijken. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in dit verband heeft overwogen, en maakt deze overwegingen geheel tot de zijne.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.C.P. Venema en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) K. Moaddine.

RB