Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
10-1315 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Ook in hoger beroep zijn geen nadere (medische) stukken ingediend die twijfel zouden kunnen oproepen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Afdoende is gemotiveerd dat appellante, gelet op haar functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1315 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 februari 2010, 08/3488 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010 . Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 september 2008 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2008, waarbij het Uwv haar WAO-uitkering ongewijzigd heeft vastgesteld op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep (wederom) aangevoerd dat de medische beoordeling onzorgvuldig is geweest omdat de primaire arts geen BIG-geregistreerde verzekeringsarts was en de aan haar toegezonden rapportage van deze primaire arts, in tegenstelling tot het exemplaar van het Uwv, geen handtekening bevat van de staf-verzekeringsarts. Ten onrechte heeft de (bezwaarverzekerings-)arts zich gebaseerd op gedateerde medische informatie van de behandelende sector en geen aanleiding gezien om recente medische informatie op te vragen. Voorts zijn de voorgehouden functies niet geschikt voor haar omdat zij niet beschikt over een MEAO-diploma noch enige economische en/of boekhoudkundige opleiding heeft gevolgd en geen affiniteit heeft met economische dan wel boekhoudkundige zaken.

2.2. Het Uwv heeft in hoger beroep het standpunt gehandhaafd ten aanzien van de medische beoordeling. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling is besloten om één (reserve-)functie te laten vervallen en een nieuwe functie te duiden onder dezelfde SBC-code, hetgeen geen gevolgen heeft voor de schatting.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, maakt deze tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en heeft bij rapportage van 27 augustus 2008 een toelichting gegeven ten aanzien van de vastgestelde beperkingen, voortvloeiend uit congenitale heupdysplasie en lage rugklachten, waarbij zij een aanvullende toelichting heeft aangebracht op de FML ten aanzien van torderen. Appellante geniet reeds sinds 1986 een WAO-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over een uitgebreid medisch dossier van appellante. Zij heeft erop gewezen dat door de primaire arts meer beperkingen zijn aangenomen dan voorheen ten aanzien van torderen, klimmen en gebogen en/of getordeerd actief zijn. Gelet op de door appellante verstrekte informatie tijdens het spreekuur en de bevindingen na lichamelijk onderzoek, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien om nadere medische informatie op te vragen. Hiertoe bestond in dit geval ook geen noodzaak. Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht volgt geenszins dat haar behandelende artsen tot nieuwe, nog niet bij de bezwaarverzekeringsarts bekende, opvattingen omtrent de gezondheidssituatie van appellante waren gekomen.

Voorts ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Ook in hoger beroep zijn geen nadere (medische) stukken ingediend die twijfel zouden kunnen oproepen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne.

3.3. De grief van appellante die ziet op de medeondertekening van het rapport van de primaire arts behoeft geen bespreking. Uit 3.2 volgt dat, zo aan het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit een gebrek kleeft, dit gebrek in de bezwaarfase is hersteld.

3.4. Ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies overweegt de Raad het volgende.

3.5. De arbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op de drie functies van medewerker bank (SBC-code 516070), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en administratief medewerker (SBC-code 315090). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afdoende is gemotiveerd dat appellante, gelet op haar functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. Ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde grief van appellante dat de bovengenoemde functies van medewerker bank, schadecorrespondent en daarnaast de functie van administratief medewerker/correspondent (SBC-code 515100) niet geschikt voor haar zijn omdat zij niet voldoet aan de opleidingseisen die in de functieomschrijvingen staan vermeld, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat deze grief niet slaagt. Nu appellante onder meer beschikt over een vwo-diploma met in het pakket de moderne talen en biologie en geschiedenis en daarnaast over zeer uitgebreide werkervaring als secretaresse en administratief medewerkster, voldoet zij ruimschoots aan de opleidingseisen ten aanzien van de functies van medewerker bank, schadecorrespondent en administratief medewerker, nu voor deze functies respectievelijk een havo-diploma, diploma mbo-niveau 4 en diploma vmbo-theoretische leerweg wordt gevraagd. Eventuele lancunes op economisch gebied kunnen worden opgevuld door middel van interne opleidingen. Nu appellante geen medische beperkingen heeft ten aanzien van het volgen van dergelijke interne opleidingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat deze drie functies terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Ten overvloede overweegt de Raad dat de reserve-functies van administratief medewerker/correspondent (SBC-code 515100) bij de Raad evenmin bezwaren ontmoeten ten aanzien van de gevraagde opleiding.

3.6. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.7. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

GdJ