Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
10-1336 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft onterecht besloten het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 mei 2004 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken na verzending van dat besluit is ingediend. Het besluit is niet op de in Vo. 574/72 voorgeschreven wijze bekend gemaakt aan appellant. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 augustus 2001 (LJN AD5019), betekent dit dat de bezwaartermijn eerst is gaan lopen op het moment dat appellant het besluit daadwerkelijk op zijn woonadres in Spanje heeft ontvangen. Uit de genoemde verklaring van de Spaanse Posterijen blijkt dat appellant het besluit op 24 mei 2004 heeft ontvangen. Dit betekent dat het door appellant bij brief van 28 juni 2004 gemaakte bezwaar, dat door het Uwv op 2 juli 2004 is ontvangen, tijdig is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4808
ABkort 2010/410
USZ 2010/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1336 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2010, 08/5093 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 mei 2004 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 20 november 2004 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Dit besluit is aangetekend verzonden en is volgens appellant op 24 mei 2004 aan hem uitgereikt.

1.2. Bij aangetekend verzonden brief van 28 juni 2004, door het Uwv ontvangen op 2 juli 2004, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 mei 2004.

1.3. Bij brief van 7 juli 2004 heeft het Uwv aan appellant gevraagd waarom het bezwaar te laat is ingediend. Appellant heeft daarop medegedeeld dat in dit geval uitgegaan moet worden van de datum van de kennisgeving van het besluit en niet van de datum van verzending ervan.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 5 augustus 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat besluit bij uitspraak van 16 januari 2005 ongegrond verklaard.

1.5. De Raad heeft bij uitspraak van 16 oktober 2008 de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 5 augustus 2004 vernietigd, omdat laatstgenoemd besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daartoe is overwogen dat het Uwv er geen blijk van heeft gegeven de stellingen van appellant getoetst te hebben aan enkele door hem genoemde bepalingen in Verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: Vo. 574/72) en ook naar aanleiding van vragen van de Raad geen enkele inhoudelijk motivering ten aanzien van de mogelijke toepassing van die bepalingen heeft gegeven.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het Uwv het besluit van 14 mei 2004 op de in artikel 3, derde lid, van Vo. 574/72 voorgeschreven wijze heeft bekend gemaakt.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat het bezwaar op grond van het bepaalde in Vo. 574/72 wel ontvankelijk is.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft besloten het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 mei 2004 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken na verzending van dat besluit is ingediend. Daarbij spitst het geschil zich allereerst toe op de nadere vraag of het Uwv dat besluit met inachtneming van het bepaalde in Vo. 574/72 op de juiste wijze heeft bekend gemaakt aan appellant.

4.2. In artikel 84, derde lid, van Verordening EEG 1408/71 (Vo. 1408/71) is bepaald dat voor de toepassing van die verordening de autoriteiten en de organen van de lidstaten zich rechtstreeks met elkaar en met belanghebbende personen of hun gemachtigden in verbinding kunnen stellen. Voorts is in artikel 3, derde lid, van Vo. 574/72 bepaald dat beslissingen en andere documenten afkomstig van een orgaan van een lidstaat en bestemd voor personen die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen of verblijven, rechtstreeks per aangetekende zending met ontvangstbevestiging aan hen mogen worden medegedeeld.

4.3. De Raad stelt vast dat artikel 3 van Vo. 574/72 blijkens het kopje van dit artikel betrekking heeft op de “contacten tussen de organen onderling en tussen rechthebbenden en organen”. Nu reeds uit artikel 84, derde lid, van Vo. 1408/71 voortvloeit dat organen van de lidstaten zich rechtstreeks in verbinding kunnen stellen met belanghebbende personen is de Raad van oordeel dat artikel 3, derde lid, van Vo. 574/72 aldus uitgelegd moet worden dat een orgaan van een lidstaat een beslissing bestemd voor een persoon wonend of verblijvend in een andere lidstaat rechtstreeks aan de betrokkene mag zenden, mits dit aangetekend met bericht van ontvangst geschiedt.

4.4. Voorts stelt de Raad - anders dan de rechtbank - vast dat het Uwv het besluit van 14 mei 2004 weliswaar aangetekend aan appellant heeft verzonden, maar dat niet is gebleken dat die verzending tevens met bericht van ontvangst heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft ook geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het besluit met bericht van ontvangst is verzonden. De door appellant overgelegde verklaring van de Spaanse Posterijen van 21 juli 2004 is voorts niet een ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 3, derde lid, van Vo. 574/72, nu die verklaring achteraf is opgesteld kennelijk op grond van gegevens over uitgereikte aangetekende verzendingen.

4.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het besluit van 14 mei 2004 niet op de in Vo. 574/72 voorgeschreven wijze is bekend gemaakt aan appellant. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 augustus 2001 (LJN AD5019), betekent dit dat de bezwaartermijn eerst is gaan lopen op het moment dat appellant het besluit daadwerkelijk op zijn woonadres in Spanje heeft ontvangen. Uit de hiervoor genoemde verklaring van de Spaanse Posterijen blijkt dat appellant het besluit op 24 mei 2004 heeft ontvangen. Dit betekent dat het door appellant bij brief van 28 juni 2004 gemaakte bezwaar, dat door het Uwv op 2 juli 2004 is ontvangen, tijdig is ingediend.

4.6. Het hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

KR