Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
10-2207 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WIA-uitkeing naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Hetgeen appellant heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op onvoldoende wijze rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor hem geschikt zijn. De rechtbank heeft er in de aangevallen uitspraak terecht op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen van appellant ervan is uitgegaan dat appellant een matige hartfunctie heeft, maar dat van hartfalen geen sprake is. Het door appellant in de brief van 20 september 2010 gedane verzoek niet reeds thans op het hoger beroep te beslissen komt niet voor inwilliging in aanmerking. Appellant heeft geenszins inzichtelijk gemaakt dat het door hem bedoelde onderzoek ziet op de datum in deze procedure in geding, specifiek is gericht op het aannemelijk maken dat de bezwaarverzekeringsarts op onvoldoende wijze rekening heeft gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid en niet reeds op een zodanig tijdstip had kunnen worden verricht dat de resultaten van dit onderzoek tijdig in geding hadden kunnen worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2207 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2010, 09/2606 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 20 mei 2009, waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd zijn besluit dat er voor appellant met ingang van 26 januari 2009 recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

1.2. Hiertoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op onvoldoende wijze rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor hem geschikt zijn.

2.1. Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift aangevoerd dat hij zich niet in staat acht fulltime werkzaamheden te verrichten. Naar de mening van appellant volgt uit het (medische) dossier dat hij daarvoor onvoldoende energie heeft en dat een urenbeperking is aangewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de door hem in bezwaar en in beroep ingediende gronden.

2.2. Bij brief van 20 september 2010 heeft appellant een brief ingebracht van de cardioloog W.A.J. Bruggeling van 6 maart 2009 en verzocht om nog niet thans op het hoger beroep te beslissen zodat de resultaten van een recent verricht hartonderzoek in de procedure kunnen worden betrokken.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Appellant heeft in het hoger beroepschrift geen gronden ingediend die zich specifiek richten tegen de door de rechtbank - naar aanleiding van de in beroep ingediende gronden - gegeven oordelen. Appellant heeft volstaan met een verwijzing naar hetgeen eerder naar voren is gebracht.

3.3. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad de in beroep ingediende gronden op juiste wijze besproken. De Raad kan zich geheel vinden in de door de rechtbank gebezigde overwegingen.

3.4. Hetgeen appellant in het hoger beroepschrift naar voren heeft gebracht leidt mitsdien niet alsnog tot het oordeel dat de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen.

3.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bij brief van 20 september 2010 leidt evenmin alsnog tot het oordeel dat de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. De bij deze brief gevoegde brief van 6 maart 2009 heeft geen betrekking op de datum in geding.

Overigens wordt in deze brief vermeld dat bij inspanningsonderzoek sprake is van een matige belastbaarheid en dat onder de huidige medicatie geen sprake is van manifest hartfalen. De rechtbank heeft er in de aangevallen uitspraak terecht op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen van appellant ervan is uitgegaan dat appellant een matige hartfunctie heeft, maar dat van hartfalen geen sprake is. De door appellant ingebrachte brief behelst mitsdien ook geen aanwijzing dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld.

3.6. Het door appellant in de brief van 20 september 2010 gedane verzoek niet reeds thans op het hoger beroep te beslissen komt niet voor inwilliging in aanmerking. Appellant heeft geenszins inzichtelijk gemaakt dat het door hem bedoelde onderzoek ziet op de datum in deze procedure in geding, specifiek is gericht op het aannemelijk maken dat de bezwaarverzekeringsarts op onvoldoende wijze rekening heeft gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid en niet reeds op een zodanig tijdstip had kunnen worden verricht dat de resultaten van dit onderzoek tijdig in geding hadden kunnen worden gebracht.

3.7. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.8. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG