Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
10-2251 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2251 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

de erven van [betrokkene], wonende te Spanje (hierna: verzoekers),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 februari 2010, 07/1271,

in het geding tussen:

verzoekers

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft W. Leufkens, wonende te Heerlen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 februari 2010 (LJN BL5590).

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad – oordelend op het hoger beroep van verzoekers – de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2007, 06/5475, bevestigd. De Raad heeft daarbij onder andere overwogen dat de Svb op de betalingen van het ouderdomspensioen aan

[betrokkene] terecht overmakingskosten in mindering heeft gebracht. Tevens heeft de Raad geoordeeld dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien een vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand toe te kennen, nu niet gebleken was dat deze rechtsbijstand beroepsmatig was verleend.

2. Namens verzoekers is bij het verzoek tot herziening overgelegd een overzicht van de (gewijzigde) betaaltarieven van de ING-bank per 1 april 2010. Hieruit zou blijken dat bij deze bank alle transacties, binnen de eurozone, gratis zijn. Tevens is namens verzoekers, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 21 oktober 2009 (LJN BK0838), gesteld dat uit genoemde uitspraak blijkt dat de rechter het verliezend bestuursorgaan de kosten van juridische bijstand moet laten vergoeden, zelfs al is de rechtsbijstandverlener een leek.

3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005 (LJN AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

3.2. De gegevens die zijn overgelegd omtrent de tarieven van de ING-bank zien op de tarieven die gelden op 1 april 2010. De periode in geding in de uitspraak van de Raad van 24 februari 2010 lag ruim daarvoor. Hierbij laat de Raad overigens uitdrukkelijk in het midden of uit het overgelegde volgt dat de ING-bank ook geen overmakingskosten in rekening brengt aan organisaties als de Svb.

3.3. De Raad stelt tevens vast dat bij het onderhavige verzoek om herziening namens verzoekers is gewezen op een uitspraak van 21 oktober 2009 van de ABRS. De Raad moet constateren dat, daargelaten de uitleg die namens verzoekers is gegeven van deze uitspraak, de feitelijke situatie waarover de ABRS heeft beslist geheel anders van aard was dan in het onderhavige geding. Tevens stelt de Raad vast dat genoemde uitspraak op 21 oktober 2009 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd. Niet gezegd kan worden dat deze uitspraak ten tijde van de uitspraak van de Raad bij (de gemachtigde van) verzoekers niet redelijkerwijs bekend kon zijn.

3.4. Gelet op het onder 3.1 tot en met 3.3 gestelde dient het verzoek om herziening afgewezen te worden.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

JL