Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
08/7221 AW + 08/7222 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Betrokkene heeft, niettegenstaande achtereenvolgens de arbeidsgeschiktverklaring door de bedrijfsarts, de stopzetting van de bezoldiging, het deskundigenoordeel van het Uwv en de sommatie en uitdrukkelijke waarschuwing voor onvoorwaardelijk ontslag van 5 oktober 2007, toerekenbaar volhard in het niet hervatten van zijn werkzaamheden, hetgeen ernstig plichtsverzuim oplevert. Het college was bevoegd om betrokkene voor dit plichtsverzuim disciplinair te straffen. Niet gezegd kan worden dat de opgelegde straf van ontslag aan het genoemde plichtsverzuim onevenredig is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7221 AW en 08/7222 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: college),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 november 2008, 08/2288 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Dijkstra, werkzaam bij Dijkstra juridisch advies. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.M. Thissen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was, laatstelijk in een betrekkingsomvang van 14,4 uur per week, werkzaam als verhaalsmedewerker bij de gemeente Nijmegen. Op 14 juni en 14 augustus 2007 heeft de direct leidinggevende betrokkene aangesproken op door hem in werktijd gevolgde fysiotherapie. Op 20 en 23 augustus 2007 heeft betrokkene wederom in werktijd fysiotherapie gevolgd. Op 23 augustus 2007 is hij ook daarop door zijn leidinggevende aangesproken. In dat gesprek heeft de leidinggevende betrokkene gevraagd zijn verlofkaart te overhandigen, hetgeen hij heeft geweigerd. Vervolgens is het gesprek geëscaleerd en heeft betrokkene de leidinggevende uitgescholden. Nog diezelfde dag heeft betrokkene zich ziek gemeld.

1.2. Het college heeft betrokkene nog op de genoemde datum schriftelijk gesommeerd zijn werkzaamheden te hervatten. Nadat betrokkene op 27 augustus 2007 het spreekuur van de bedrijfsarts had bezocht, heeft deze hem per 28 augustus 2007 volledig arbeidsgeschikt verklaard. Betrokkene heeft zijn werkzaamheden op genoemde datum niet hervat. In verband hiermee heeft het college bij besluit van 29 augustus 2007 op grond van artikel 7:13:2, eerste lid, onderdeel h, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) de betaling van de bezoldiging van betrokkene gestaakt. Ook nadien heeft betrokkene zijn werkzaamheden niet hervat.

1.3. Bij brief van 26 september 2007 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in een door betrokkene verzocht deskundigenoordeel te kennen gegeven dat betrokkene op 23 augustus 2007 geschikt werd geacht voor het verrichten van het eigen werk. Omdat betrokkene ook nadien zijn werkzaamheden niet heeft hervat, is hem op 5 oktober 2007 meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor een disciplinaire straf, zijnde voorwaardelijk ongevraagd ontslag. Daarbij is hij gesommeerd om op 8 oktober 2007 te hervatten en zich op die dag om 9.00 te melden bij zijn leidinggevende. Voorts is aangekondigd dat indien niet aan deze sommatie zou worden voldaan, direct een procedure tot verlening van onvoorwaardelijk ongevraagd ontslag zou worden gestart.

1.4. Na op 16 oktober 2007 het voornemen daartoe aan betrokkene kenbaar te hebben gemaakt, heeft het college betrokkene bij besluit van 27 november 2007 op grond van de artikelen 8:13 en 16:1:5 van de AGN per 1 december 2007 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 10 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het college zowel de staking van de bezoldiging als het strafontslag gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak allereerst overwogen dat het bestreden besluit strekt tot handhaving van zowel de staking van de bezoldiging als het strafontslag, maar dat betrokkene ter zitting heeft bevestigd dat zijn beroep is beperkt tot het strafontslag. Vervolgens heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van de aan betrokkene verweten gedragingen, te weten het in werktijd bezoeken van de fysiotherapeut zonder daarvoor verlof te vragen, het uitschelden van de leidinggevende, het onterecht ziekmelden en het niet hervatten van de werkzaamheden na respectievelijk de eerste sommatie van de werkgever, de hersteldmelding van de bedrijfsarts, het staken van de bezoldiging, de arbeidsgeschiktverklaring door het Uwv en de tweede sommatie van de werkgever, slechts een deel als plichtsverzuim is te beschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit enkel voor het uitschelden van de leidinggevende en het niet hervatten van de werkzaamheden na ontvangst van het deskundigenoordeel en opnieuw na een (tweede) sommatie. De omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de straf van ontslag evenredig is te achten aan dit overgebleven plichtsverzuim.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad heeft reeds vaker geoordeeld dat een eigenmachtig niet voldoen aan opdrachten tot werkhervatting na arbeidsgeschiktverklaring moet worden aangemerkt als (ernstig) plichtverzuim. Onder “eigenmachtig” verstaat de Raad het op subjectieve gronden, zonder dat daarvoor steun wordt gevonden in objectieve medische bevindingen, door een ambtenaar volharden bij het door hem ingenomen negatieve standpunt ter zake van hervatting van het werk (CRvB 17 april 2003, LJN AR8798).

3.1.1. Betrokkene heeft in hoger beroep een rapport van een psychiater overgelegd. Dit rapport gaat kort samengevat in op de vraag in hoeverre aan het aan betrokkene verweten plichtsverzuim een ziekte of gebrek, daaronder begrepen een persoonlijkheidsstoornis, ten grondslag ligt. De Raad stelt allereerst vast dat het bedoelde rapport, dat de constatering bevat dat betrokkene niet lijdt aan een psychiatrische ziekte, de arbeidsgeschiktheid van betrokkene ten tijde hier van belang niet in twijfel trekt. Vooropgesteld moet dan ook worden dat het college de volharding door betrokkene in het niet hervatten van zijn werkzaamheden terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt.

3.1.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bovenbedoelde plichtsverzuim direct na de arbeidsgeschiktverklaring door de bedrijfsarts aan de orde was, en niet eerst is aangevangen nadat het Uwv enkele weken later deze arbeidsgeschiktverklaring schriftelijk had bevestigd in zijn deskundigenoordeel. De Raad onderschrijft op zichzelf beschouwd het oordeel van de rechtbank dat een werknemer zich kan en mag ziekmelden als hij daartoe aanleiding ziet, en dat een daaropvolgende constatering door bedrijfsarts of Uwv dat van ziekte geen sprake is, de ziekmelding nog niet onrechtmatig maakt. Daaruit vloeit echter niet voort dat betrokkene gedurende de afhandeling van zijn verzoek aan het Uwv, in weerwil van zijn arbeidsgeschiktverklaring door de bedrijfsarts, was ontheven van zijn verplichting tot het verrichten van zijn werkzaamheden. De verzuimgeschiedenis van betrokkene en de omstandigheden waaronder de ziekmelding op 23 augustus 2007 heeft plaatsgevonden mede in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat op grond van de bevindingen van de bedrijfsarts zonder meer van betrokkene mocht worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden, per direct, zou hervatten. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

3.2. De Raad overweegt verder dat de door betrokkene overgelegde psychiatrische rapportage geen grond biedt voor het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet of in verminderde mate valt toe te rekenen. In de rapportage is vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die kort gezegd aanvaarding van autoriteit en omgang met conflictsituaties bemoeilijkt. Daarmee is een kennelijke verklaring voorhanden voor het handelen van betrokkene, maar is niet gezegd dat met betrekking tot dat handelen toerekenbaarheid aan zijn zijde (geheel of ten dele) ontbreekt. De rapportage vermeldt,

integendeel, dat betrokkene zich voortdurend bewust is geweest van de mogelijke consequenties van zijn opstelling in de werksituatie in de periode waarin het conflict escaleerde. Hoe zeer de handelwijze van betrokkene ook in de lijn lag van zijn persoonlijkheidsstructuur, de rapportage biedt dan ook geen grond voor de conclusie dat hij in de hier van belang zijnde periode op enig moment niet in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen of zich niet ten volle bewust was van de ontoelaatbaarheid van de door hem gekozen opstelling.

3.3. Samenvattend overweegt de Raad dat betrokkene, niettegenstaande achtereenvolgens de arbeidsgeschiktverklaring door de bedrijfsarts, de stopzetting van de bezoldiging, het deskundigenoordeel van het Uwv en de sommatie en uitdrukkelijke waarschuwing voor onvoorwaardelijk ontslag van 5 oktober 2007, toerekenbaar heeft volhard in het niet hervatten van zijn werkzaamheden, hetgeen ernstig plichtsverzuim oplevert. Het college was bevoegd om betrokkene voor dit plichtsverzuim disciplinair te straffen. Niet gezegd kan worden dat de opgelegde straf van ontslag aan het genoemde plichtsverzuim onevenredig is te achten. Dat betrokkene gedurende zijn verzuim per e-mail contact heeft gezocht met de gemeente en dat hij daarbij heeft gesteld tot een oplossing bereid te zijn en beschikbaar te zijn voor zijn werkgever, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het college heeft ter zitting van de Raad benadrukt dat het niet hervatten van de werkzaam-heden de hoofdreden vormt voor het strafontslag. Aangezien dit verwijt het ontslag reeds kan dragen, zal de Raad niet meer ingaan op het in werktijd bezoeken van de fysiotherapeut en het verloop van het conflict dat te dien aanzien is ontstaan.

3.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van het college slaagt.

3.5. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het niet beoordelen door de rechtbank van de stopzetting van de bezoldiging. Nu betrokkene heeft bevestigd dat hij zijn beroep ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk tot het strafontslag heeft beperkt, kan dit hoger beroep niet slagen. Dat betrokkene veronderstelde dat de rechtbank het besluit tot stopzetting van de bezoldiging in haar overwegingen over het strafontslag zou betrekken, kan daaraan niet afdoen. Ook het gegeven dat de rechtbank in plaats van over te gaan tot gedeeltelijke vernietiging, het bestreden besluit in zijn geheel heeft vernietigd, maakt niet dat het beroep van betrokkene moet worden geacht mede op de stopzetting van zijn bezoldiging betrekking te hebben gehad. Gezien het slagen van het hoger beroep van het college, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van appellant ongegrond verklaren.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2010.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) K. Moaddine.

HD