Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
08-4604 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Dat appellanten niet over de bedrijfsgegevens beschikken, komt voor hun eigen risico. In beginsel rustte op appellanten de last om aannemelijk te maken dat zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren. Afwijzing aanvraag bijstand. Besluit 2: Bedrijfsactiviteiten gestaakt. Huur van de bedrijfsruimte is beëindigd. De voorraad is verkocht. Appellanten hebben nagelaten om - zoals op hun weg lag - gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de inkoopprijs en/of de waarde van het verkochte zou kunnen worden vastgesteld. Recht op bijstand over de maand februari 2007 was wel vast te stellen, maar nihil bedroeg omdat het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschreed. Het gedeelte van de opbrengst waarmee in februari 2007 de bijstandsnorm werd overschreden kan per 1 maart 2007 aan het vermogen worden toegevoegd. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat het recht op bijstand over maart 2007 niet kan worden vastgesteld. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/15
JB 2011/34
JWWB 2011/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4604 WWB

08/4607 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2008, 07/1671 en 07/1748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij onderzoek is naar voren gekomen dat appellant jarenlang een handel in lampen heeft gedreven en daaruit inkomsten heeft genoten, zonder daarvan bij het College melding te maken. Om die reden heeft het College bij besluit van 20 december 2006 de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit hebben appellanten geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Nadien heeft het College de bijstand ook over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van appellanten teruggevorderd. Hierop zien de in hoger beroep bij de Raad aanhangige gedingen met reg. nrs. 09/2069 en 08/2070 WWB .

1.3. Op 6 januari 2007 hebben appellanten een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Deze is door het College afgewezen bij besluit van 30 januari 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 april 2007 (hierna: besluit 1).

1.4. Op 19 februari 2007 hebben appellanten wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Deze is door het College afgewezen bij besluit van 22 maart 2007, na bezwaar gehandhaafd bij - afzonderlijk - besluit van 12 april 2007 (hierna: besluit 2).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4. De aanvraag van 6 januari 2007.

4.1. De afwijzing van deze aanvraag is bij besluit 1 gehandhaafd op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan een verzoek om overlegging van gegevens met betrekking tot het door hem uitgeoefende bedrijf, meer in het bijzonder een boekhouding, bewijsstukken over de waarde van de goederen en een huurcontract van de bedrijfsruimte. Als gevolg daarvan achtte het College zich niet in staat het recht op bijstand vast te stellen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak loopt de te beoordelen periode vanaf de indiening van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit, in dit geval dus van 6 januari 2007 tot en met 30 januari 2007.

4.3. Vast staat dat appellant zijn bedrijf in deze periode nog niet had beëindigd. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen, dat de gevraagde bedrijfsgegevens noodzakelijk waren om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Dat appellanten niet over deze gegevens beschikken, komt voor hun eigen risico. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een aanvraag en dat derhalve - nog daargelaten de eerdere intrekking van de bijstandsuitkering - in beginsel op appellanten de last rustte om aannemelijk te maken dat zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren.

4.4. Het College heeft de aanvraag van 6 januari 2007 dan ook terecht afgewezen. In zoverre slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De aanvraag van 19 februari 2007.

5.1. De afwijzing van deze aanvraag is bij besluit 2 gehandhaafd op grond van de overweging dat bij gebreke van een administratie of boekhouding, waaruit de waarde van de voorraad en de verkoopwaarde blijkt, het recht op bijstand niet is vast te stellen.

5.2. Wat betreft de te beoordelen periode verwijst de Raad naar hetgeen onder 4.2 is overwogen. De periode loopt hier van 19 februari 2007 tot en met 22 maart 2007.

5.3. Vaststaat dat appellant ten tijde van de aanvraag zijn bedrijfsactiviteiten had gestaakt. De huur van de bedrijfsruimte is beëindigd, de voorraad is verkocht en appellant heeft de koopprijs ad € 4.750,-- nog in februari 2007 ontvangen. De Raad kan het College volgen voor zover dit zich op het standpunt heeft gesteld dat het bedrag van € 4.750,-- in zijn geheel als inkomen in aanmerking moet worden genomen, nu appellanten hebben nagelaten om - zoals op hun weg lag - gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de inkoopprijs en/of de waarde van het verkochte zou kunnen worden vastgesteld. Als gevolg daarvan is het bepalen van een in aanmerking te nemen (boek)winst onmogelijk. Ook hier geldt dat het ontbreken van voldoende gegevens voor risico van appellanten komt. Het vorenstaande betekent het recht op bijstand over de maand februari 2007 wel was vast te stellen, maar nihil bedroeg omdat het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschreed.

5.4. Voor het aanmerken van (een gedeelte van) de verkoopopbrengst als inkomen over de maand maart 2007 bestaat, anders dan het College heeft gesteld, geen aanleiding. Daarbij is van belang dat in die maand geen bedrijfsactiviteiten meer hebben plaatsgevonden waaraan de opbrengst zou kunnen worden toegerekend. Wel kan het gedeelte van de opbrengst waarmee in februari 2007 de bijstandsnorm werd overschreden per 1 maart 2007 aan het vermogen worden toegevoegd. Dit zou onder omstandigheden kunnen betekenen dat in maart 2007 het vrij te laten vermogen werd overschreden. De Raad heeft echter vooralsnog geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit het geval is geweest. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat het recht op bijstand over maart 2007 niet kan worden vastgesteld.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat besluit 2 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak voor zover het daarbij in stand is gelaten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dit besluit;

Draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 966,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het door hen in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

HD